[eiser], uit [woonplaats], eiser
en
de algemeen directeur van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen, verweerder
(gemachtigde: mr. S. van den Ark).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het opleggen van een cursus over verantwoord rijgedrag.
Verweerder heeft dit besluit genomen op 15 augustus 2024. Met het bestreden besluit van 19 december 2024 op het bezwaar van eiser is verweerder bij dat besluit gebleven.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 13 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigde van verweerder.
Beoordeling door de rechtbank
Wat vindt eiser in beroep?
Waar gaat deze zaak over?
2. Op 19 juni 2024 heeft verweerder een mededeling ontvangen van de Politie Eenheid Rotterdam-Rijnmond en een proces-verbaal van bevindingen waaruit blijkt dat de verbalisant eiser op 10 juni 2024 op de A4 zag rijden met een snelheid van 145 kilometer per uur op een weggedeelte waar op dat moment een toegestane maximumsnelheid van 70 kilometer per uur gold. Het verschil van snelheid tussen eiser en de overige weggebruikers was groot. Toen eiser werd staande gehouden stelde hij dat hij niets verkeerd had gedaan. Naar aanleiding van deze mededeling heeft verweerder geconcludeerd dat er een vermoeden is van onvoldoende rijvaardigheid nu eiser de toegestane maximumsnelheid met 60 kilometer per uur of meer heeft overschreden. Verweerder heeft eiser daarom verplicht om deel te nemen aan een cursus over verantwoord rijgedrag, ook wel Educatieve Maatregel Gedrag en verkeer (hierna: EMG) genoemd.
3. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit omdat het proces-verbaal dat hieraan ten grondslag ligt, niet klopt. De verbalisant in kwestie heeft eiser staande gehouden na een fikse achtervolging, waarbij de agent eiser van de weg heeft willen rijden. Tijdens de achtervolging was voor eiser niet kenbaar dat hij te maken had met een agent. De agent wilde na de aanhouding het rijbewijs van eiser invorderen, maar werd teruggefloten door de officier van justitie. De in het proces-verbaal opgenomen snelheid die eiser zou hebben gereden, is bovendien niet juist. Eiser heeft aangifte gedaan tegen deze inmiddels ex-agent.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
4. De rechtbank is van oordeel dat verweerder de EMG terecht aan eiser heeft opgelegd. De rechtbank zal dit oordeel hierna uitleggen.
Het opleggen van een educatieve maatregel ter bevordering van de rijvaardigheid of geschiktheid is een verplichting voor verweerder wanneer een mededeling als bedoeld in artikel 130, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994 (WVW 1994) wordt gedaan en het vermoeden bestaat dat de houder van een rijbewijs niet langer beschikt over de rijvaardigheid dan wel over de lichamelijke of geestelijke geschiktheid vereist voor het besturen van een motorrijtuig. In dit geval is dat vermoeden gebaseerd op het proces-verbaal van 19 juni 2024, waaruit volgt dat de verbalisant naar schatting 50 tot 75 meter achter het voertuig van eiser reed met een op zijn boordsnelheidsmeter afgelezen snelheid van 145 kilometer per uur en dat eisers voertuig bij deze snelheid op hem uitliep. Het proces-verbaal ondersteunt daarmee dat eiser op die datum meer dan 60 kilometer per uur te hard heeft gereden. Volgens vaste rechtspraak van de hoogste bestuursrechter mag verweerder in beginsel afgaan op de juistheid van de bevindingen in een op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakt en ondertekend proces-verbaal. Dat geldt evenzeer voor de rechter, tenzij tegenbewijs ertoe strekt dat van dit uitgangspunt moet worden afgeweken. Een enkele betwisting van de waarnemingen van de politie is daarvoor onvoldoende.
Volgens eiser reed hij 100 kilometer per uur bij de matrixborden net als de andere weggebruikers en reageerde hij boos na de aanhouding omdat de politieagent hem op gevaarlijke wijze had afgesneden. Eiser heeft alleen geen stukken overgelegd die dit standpunt onderbouwen. Dat de snelheid niet met een geijkte boordsnelheidsmeter is gemeten, is volgens vaste rechtspraak van de hoogste bestuursrechter ook geen grond om aan de betrouwbaarheid en de juistheid van het proces-verbaal te twijfelen. De rechtbank gaat daarom uit van het proces-verbaal waaruit blijkt dat eiser meer dan 60 kilometer per uur te hard heeft gereden, waardoor het vermoeden bestond dat eiser niet langer beschikt over de rijvaardigheid dan wel over de lichamelijke of geestelijke geschiktheid vereist voor het besturen van een motorrijtuig. Dit betekent dat verweerder de EMG terecht aan eiser heeft opgelegd.
Dat de betreffende agent die het proces-verbaal heeft opgemaakt uit dienst is getreden en eiser aangifte tegen hem heeft gedaan maakt het voorgaande niet anders. Hieruit volgt niet dat niet meer van de juistheid van de mededeling en het proces-verbaal kan worden uitgegaan. De betreffende agent was namelijk wel in dienst van de politie op het moment dat het proces-verbaal van bevindingen werd opgemaakt. Daarbij komt dat de aangifte van eiser tegen de agent niet heeft geleid tot vervolging.
Conclusie en gevolgen
5. Het beroep is ongegrond. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. W.A. Timmer, rechter, in aanwezigheid van mr. J.J. Yilmaz, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 21 november 2025.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.