RECHTBANK AMSTERDAM
vonnis
Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummers: 13/021313-26 (zaak A), 13/126684-25 (TUL), 13/048930-26 (zaak B) (ter terechtzitting gevoegd)
Datum uitspraak: 3 juni 2026
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] ( [land van herkomst] ) op [geboortedatum] 1985, zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
nu gedetineerd in de [detentieplaats]
1. Onderzoek ter terechtzitting
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 20 mei 2026.
De rechtbank heeft de zaken, die bij afzonderlijke dagvaardingen onder de bovenvermelde parketnummers zijn aangebracht, gevoegd. Deze zaken worden hierna als respectievelijk zaak A en zaak B aangeduid.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vorderingen van de officier van justitie mr. S. de Bont en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. R.M.F.R. Ketwaru, naar voren hebben gebracht.
Daarnaast heeft de rechtbank op de terechtzitting de deskundigen mevrouw [deskundige 1] en mevrouw [deskundige 2] , reclasseringsmedewerkers, gehoord.
2. Tenlastelegging
In zaak A is aan verdachte – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan heling van een of meerdere fietsen in of omstreeks de periode 18 december 2025 tot en met 20 januari 2026 in Amsterdam (feit 1) en het voorhanden hebben van een wapen en munitie van categorie III op of omstreeks 20 januari 2026 in Amsterdam (feit 2).
In zaak B is aan verdachte – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich op of omstreeks 16 februari 2026 in Amsterdam heeft schuldig gemaakt aan diefstal van een fiets door middel van braak en/of verbreking.
De volledige tenlastelegging is opgenomen in bijlage I die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.
3. Waardering van het bewijs
Standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de tenlastegelegde feiten kunnen worden bewezen.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft integrale vrijspraak bepleit. Ten aanzien van het in zaak A onder 1 ten laste gelegde heeft de raadsman aangevoerd dat geen sprake was van omstandigheden waaruit kon worden afgeleid dat de fietsen van diefstal afkomstig waren. Met betrekking tot het in zaak A onder 2 ten laste gelegde heeft de raadsman betoogd dat de politie de boot onrechtmatig heeft doorzocht, zodat bewijsuitsluiting dient te volgen, hetgeen tot vrijspraak moet leiden. Ten aanzien van het in zaak B ten laste gelegde heeft de raadsman aangevoerd dat het door verdachte geschetste alternatieve scenario – dat verdachte de fiets voor een vriendin heeft opengeslepen – niet kan worden uitgesloten.
Oordeel van de rechtbank
Ten aanzien van het in zaak A onder 1 ten laste gelegde
Om tot een bewezenverklaring van de tenlastegelegde heling te komen, dient de rechtbank te beoordelen of verdachte ten tijde van het voorhanden krijgen van de fietsen wist dan wel redelijkerwijs had moeten vermoeden dat de fietsen afkomstig waren van diefstal.
De rechtbank stelt op basis van de bewijsmiddelen vast dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan (opzet)heling van één fiets. Verdachte heeft op 18 december 2025 een gestolen fiets, een fatbike, verkocht. Naar aanleiding van deze verkoop ontstond een opstootje tussen verdachte en de koper op straat. Koper had de fiets zonder achterwiel, accu en display gekocht van verdachte. Toen de politie ter plaatse kwam heeft verdachte verklaard dat hij de betreffende fiets kort daarvoor had verkocht voor een bedrag van € 180,-. Over wanneer en van wie hij deze fiets heeft gekocht en hoe deze koop precies gegaan is heeft verdachte geen verklaring gegeven. In het dossier bevindt zich een aangifte waaruit volgt dat de fiets enkele dagen daarvoor was gestolen, namelijk op 15 december 2025. Gelet op de omstandigheid dat verdachte geen concrete verklaring heeft gegeven over de herkomst van deze fiets, en gelet op de staat van de fiets op het moment van voorhanden hebben en het feit dat deze kort daarvoor is gestolen is de rechtbank van oordeel dat de verdachte wist dat het een gestolen fiets betrof en acht opzetheling daarom bewezen.
Partiële vrijspraak
Uit het dossier volgt dat verbalisanten bij de boot van verdachte op 16 januari 2025 meerdere fietsen hebben waargenomen. Van één van deze fietsen is door verbalisanten ter plaatse vastgesteld dat deze (in 2023) als gestolen was opgegeven. Een aantal van de fietsen is vervolgens op 20 januari 2026 onder verdachte in beslag genomen, waarvan één in 2024 als gestolen was opgegeven. Over de andere fietsen is niets bekend geworden. Verdachte heeft verklaard dat hij werkzaam is als fietsenmaker en dat hij de fietsen in dat kader aan het repareren was. Uit het dossier volgt geen omschrijving van de toestand waarin de fietsen zich ten zijde van het aantreffen bevonden. De rechtbank is van oordeel dat zich in het dossier onvoldoende aanknopingspunten bevinden om de verklaring van verdachte dat hij de fietsen aan het repareren was, te ontzenuwen.
De rechtbank acht dan ook niet bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan opzet- dan wel schuldheling van de overige fietsen en zal verdachte van dat onderdeel van de tenlastelegging vrijspreken.
Ten aanzien van het in zaak A onder 2 tenlastegelegde
De raadsman heeft het verweer gevoerd dat de doorzoeking van de boot en de daaropvolgende inbeslagneming van het vuurwapen en munitie onrechtmatig waren. Door verdachte is geen toestemming gegeven om de boot te doorzoeken en er was ook geen machtiging afgegeven. Om die reden dienen het vuurwapen en de munitie volgens de verdediging op grond van artikel 359a Sr van het bewijs te worden uitgesloten.
Uit het dossier blijkt dat verbalisanten naar de boot van verdachte zijn gegaan naar aanleiding van een melding dat verdachte fietssloten aan het opbreken was. Na controle van het framenummer van één van de fietsen bleek dat deze gestolen was. Op de vraag of verbalisanten de boot mochten betreden om ook daar rond te kijken, heeft verdachte instemmend geantwoord waarop verbalisanten de boot zijn binnengegaan. De rechtbank ziet geen aanleiding te twijfelen aan de juistheid en betrouwbaarheid van dit op ambtseed opgemaakt proces-verbaal en gaat dus uit van de gegeven toestemming op basis waarvan de verbalisanten gerechtigd waren tot het binnentreden en zoekend rondkijken. De rechtbank stelt op basis van dit proces-verbaal verder vast dat bij het zoekend rondkijken in de boot een direct voor het oog zichtbaar wapenkistje is aangetroffen. Bij het oppakken bleek het zwaar genoeg om een vuurwapen te bevatten. Op dat moment ontstond een verdenking op grond van de wet Wapens en Munitie en mochten de verbalisanten op grond van die wet het wapenkistje openen om te kijken of het vermoeden gegrond was. Toen dit vermoeden werd bevestigd hebben de verbalisanten het in het kistje aangetroffen wapen en de munitie in beslag genomen. De rechtbank oordeelt gelet hierop dat van een onrechtmatige doorzoeking en inbeslagneming geen sprake is, zodat het proces-verbaal van aantreffen van het wapen en de munitie kunnen worden gebruikt voor het bewijs.
De rechtbank acht het feit bewezen gelet op de bewijsmiddelen in bijlage II, waaronder de bekennende verklaring van verdachte.
Ten aanzien van het in zaak B tenlastegelegde
Op grond van de bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat verdachte het slot van de fiets heeft doorgeslepen en het slot heeft weggegooid.
Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij het slot heeft doorgeslepen omdat hij de fiets zou hebben geleend van [getuige] en hij de sleutel van het slot kwijt was. Verdachte heeft voorts verklaard dat hij dacht dat zij het niet prettig zou vinden als hij de fiets zonder sleutel zou terugbrengen. Mevrouw [getuige] is vervolgens als getuige door de politie bevraagd. Tijdens dit verhoor heeft zij verklaard dat zij geen fiets bezit en deze derhalve ook niet heeft kunnen uitlenen aan verdachte. Gelet hierop acht de rechtbank de verklaring van de verdachte ongeloofwaardig.
De rechtbank oordeelt dan ook dat verdachte het slot van de fiets heeft opengebroken om de fiets van iemand anders te stelen en acht verdachte schuldig aan de diefstal van deze fiets door middel van verbreking.
4. Bewezenverklaring
De rechtbank acht op grond van de in bijlage II vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte
ten aanzien van zaak A onder 1
op 18 december 2025 te Amsterdam een fiets voorhanden heeft gehad en heeft overgedragen, terwijl hij ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dit goed wist dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;
ten aanzien van zaak A onder 2
op 20 januari 2026 te Amsterdam een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een gaspistool, van het merk Kuzey Arms, type 911, kaliber 9 mm P.A.K. zijnde een vuurwapen in de vorm van een pistool
en
munitie van categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten knalpatronen van het merk Kaizer, kaliber 9mm P.A.K., voorhanden heeft gehad;
ten aanzien van zaak B
op 16 februari 2026 te Amsterdam een fiets die aan een onbekend gebleven persoon toebehoorde heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte die weg te nemen fiets onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in zijn verdediging geschaad.
5. De strafbaarheid van de feiten en van verdachte
De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar en verdachte is hiervoor strafbaar.
6. Plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders
Eis van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat aan verdachte ter zake van zaak A en zaak B de maatregel van plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders (hierna: ISD-maatregel) zal worden opgelegd voor de duur van twee jaren, zonder aftrek van voorarrest.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich primair op het standpunt gesteld dat niet is voldaan aan de ‘harde criteria’ voor de ISD-maatregel. Subsidiair stelt de raadsman zich op het standpunt dat niet is voldaan aan de ‘zachte criteria’. De raadsman voert daartoe aan dat het lopende toezicht door de reclassering nog onvoldoende van de grond is gekomen. Daarnaast stelt de raadsman dat verdachte inmiddels is gestopt met methadongebruik en gemotiveerd is om zijn leven te beteren. De raadsman verzoekt primair een straf op te leggen gelijk aan het voorarrest, al dan niet met een voorwaardelijke ISD-maatregel. Subsidiair verzoekt de raadsman, indien de rechtbank toch een onvoorwaardelijke ISD-maatregel oplegt, deze te beperken tot de duur van één jaar.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen maatregel gelet op de aard en de ernst van wat bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon en de omstandigheden van de verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.
Ernst van het feit
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan opzetheling van een fiets en diefstal van een fiets door middel van verbreking. Dit zijn hinderlijke feiten waardoor schade ontstaat en overlast wordt veroorzaakt bij de gedupeerden. Ook zorgt het voor veel overlast in de maatschappij. Verdachte heeft met zijn handelen getoond dat hij geen respect heeft voor andermans eigendom. Daarnaast heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van een wapen en munitie van categorie III. Een dergelijk feit tast het veiligheidsgevoel van de samenleving in zijn geheel aan en daarnaast brengt het bezit van een wapen het risico met zich dat hiermee op lichtzinnige wijze mee wordt omgegaan. Bovendien blijkt uit het uittreksel Justitiële Documentatie van verdachte van 14 april 2026 dat hij eerder meermalen is veroordeeld voor soortgelijke feiten. Dit heeft hem er niet van weerhouden om opnieuw dergelijke feiten te plegen.
Advies van de reclassering
De rechtbank heeft kennisgenomen van het rapport van Reclassering Leger des Heils van 6 mei 2026, opgemaakt door [reclasseringsmedewerker] . Dit rapport houdt – zakelijk weergegeven – onder meer het volgende in.
Verdachte voldoet aan de criteria voor oplegging van de ISD-maatregel. Ondanks herhaalde inzet van verschillende hulpverleningsinstanties, waaronder de GGD en Jellinek, is het niet gelukt om een structurele verbetering in zijn leefsituatie te realiseren. Het ontbreekt hem aan consistentie en motivatie om afspraken na te komen ten behoeve van gedragsverandering, hetgeen samenhangt met zijn problematiek. Hij heeft meerdere kansen gehad om zijn gedrag bij te sturen binnen en ambulant justitieel kader. Er is sprake van meervoudige problematiek; middelengebruik en hardnekkige drugsverslaving, instabiliteit in wonen en financiën en het ontbreken van structurele dagbesteding. Hij is bekend bij de politie vanwege herhaald delictgedrag en komt regelmatig negatief in beeld. De reclassering ziet geen andere mogelijkheid dan het adviseren van de ISD-maatregel, zodat binnen deze maatregel de juiste interventies kunnen worden ingezet ter voorkoming van recidive en ter stabilisatie van de leefomstandigheden van verdachte. Een ambulant kader is onvoldoende toereikend gebleken.
De deskundigen, mevrouw [deskundige 1] en mevrouw [deskundige 2] , hebben voornoemd advies op de terechtzitting bevestigd en aan dit advies toegevoegd dat gelet op de risicofactoren en het hoge recidiverisico, de reclassering geen mogelijkheden ziet voor het inzetten van interventies binnen een voorwaardelijk (ISD) kader.
De ISD-criteria
De rechtbank stelt vast dat ten aanzien van zaak A niet voldaan is aan de wettelijke criteria voor oplegging van de ISD-maatregel. Verdachte is gedurende de vijf jaren voorafgaand aan het door hem begane misdrijf tweemaal, in de zaken met parketnummers 13/323823-23 en 13/182120-21, wegens een misdrijf onherroepelijk veroordeeld tot een vrijheidsbenemende straf terwijl de in dit vonnis bewezenverklaarde feiten zijn begaan na de tenuitvoerlegging van deze straffen. Het voorwaardelijk strafdeel van de zaak met parketnummer 13/110510-23 is pas op 2 februari 2026 geëxecuteerd, zodat voor dat parketnummer niet is voldaan aan het vereiste dat de onderhavige feiten zijn begaan na tenuitvoerlegging van de straf of maatregel. De rechtbank volgt de officier van justitie dan ook niet in het standpunt dat ook voor zaak A is voldaan aan de wettelijke vereisten voor oplegging van de ISD-maatregel.
De rechtbank stelt vast dat ten aanzien van het in zaak B bewezen geachte feit aan alle voorwaarden is voldaan die artikel 38m van het Wetboek van Strafrecht aan het opleggen van de ISD-maatregel stelt. Hiervoor is bewezen verklaard dat verdachte een misdrijf heeft begaan waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten. Daarnaast is hij gedurende de vijf jaren voorafgaand aan het door hem begane misdrijf ten minste driemaal, in de zaken met parketnummers 13/323823-23, 13/182120-21 en 13/110510-23, wegens een misdrijf onherroepelijk veroordeeld tot een vrijheidsbenemende straf terwijl het in dit vonnis bewezenverklaarde feit is begaan na de tenuitvoerlegging van deze straffen. Er moet, zoals blijkt uit de hiervoor genoemde reclasseringsrapportage en het strafblad, ernstig rekening mee worden gehouden dat verdachte wederom een misdrijf zal begaan.
Uit het voornoemd uittreksel Justitiële Documentatie volgt dat ook is voldaan aan de eisen die de ‘Richtlijn voor Strafvordering bij meerderjarige veelplegers’ van het Openbaar Ministerie stelt. Verdachte is een zeer actieve veelpleger, die over een periode van vijf jaren processen-verbaal tegen zich opgemaakt zag worden voor meer dan tien misdrijven, waarvan ten minste één in de laatste twaalf maanden, terug te rekenen vanaf de pleegdatum van het in dit vonnis bewezenverklaarde feit. Verder eist de veiligheid van de maatschappij het opleggen van deze maatregel, gelet op de ernst en het aantal door verdachte begane soortgelijke feiten. Verdachte veroorzaakt ernstige overlast en de recidive van verdachte moet worden beëindigd.
Vervolgens ziet de rechtbank zich voor de vraag gesteld of de ISD-maatregel in dit geval ook als de meest passende maatregel moet worden beschouwd (de zogenoemde ‘zachte’ ISD-criteria). De rechtbank beantwoordt deze vraag bevestigend. Daartoe overweegt de rechtbank dat er al diverse pogingen zijn gedaan om in een voorwaardelijk kader te komen tot gedragsverandering, maar dat dit niet is gelukt. Het recidiverisico blijft onverminderd hoog. De rechtbank is met de reclassering van oordeel dat enkel de oplegging van de ISD-maatregel een realistische kans geeft op gedragsverandering en verbetering van de leefomstandigheden van verdachte en acht het opleggen van een voorwaardelijke ISD-maatregel niet afdoende. Hiermee wordt niet alleen de maatschappij beschermd tegen de delicten die verdachte pleegt, maar kan hem ook langdurige en intensieve behandeling voor zijn problematiek worden geboden.
De rechtbank is gelet op al het bovenstaande van oordeel dat de oplegging van de
ISD-maatregel passend en geboden is.
Maximale termijn van twee jaren
Om de beëindiging van de recidive van verdachte en het leveren van een bijdrage aan de oplossing van zijn problematiek alle kansen te geven en voorts ter optimale bescherming van de maatschappij, is het van groot belang dat voldoende tijd wordt genomen om de ISD-maatregel ten uitvoer te leggen. Daarom zal de rechtbank de maatregel voor de maximale termijn van twee jaren opleggen en de tijd die door verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht niet in mindering brengen op de duur van de maatregel.
Geen straf of maatregel
De rechtbank acht het niet opportuun om naast de ISD-maatregel voor het bewezenverklaarde feit in zaak B, in zaak A, waarvoor verdachte strafbaar is, een straf of maatregel aan verdachte op te leggen. De rechtbank zal daarom voor deze feiten toepassing geven aan artikel 9a Sr.
7. Beslag
Onder verdachte zijn de volgende voorwerpen inbeslaggenomen en niet teruggegeven:
Standpunten
De officier van justitie heeft gevorderd dat de goederen onder de nummers 1 t/m 4 moeten worden onttrokken aan het verkeer, de goederen onder de nummers 7 en 8 moeten worden verbeurdverklaard en het goed onder nummer 5 moet worden bewaard ten behoeve van de rechthebbende.
De raadsman stelt zich op het standpunt dat het goed onder 7 moet worden geretourneerd aan verdachte.
Oordeel van de rechtbank
Onttrekking aan het verkeer
De inbeslaggenomen en niet teruggegeven voorwerpen, te weten de goederen onder de nummers 1 t/m 4, die aan verdachte toebehoren, dienen onttrokken te worden aan het verkeer en zijn daarvoor vatbaar, nu deze voorwerpen zijn aangetroffen bij gelegenheid van het onderzoek naar het in zaak A door verdachte begane misdrijf, terwijl deze voorwerpen kunnen dienen tot het begaan van soortgelijke misdrijven en het van zodanige aard is, dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of het algemeen belang.
Verbeurdverklaring
De goederen onder de nummers 7 en 8 behoren aan verdachte toe. Nu met behulp van deze voorwerpen het bewezen geachte is begaan, worden deze voorwerpen verbeurdverklaard.
Bewaren voor de rechthebbende
Nu de in beslag genomen voorwerpen onder de nummers 5 en 6 niet aan de verdachte toebehoren, zal de rechtbank de bewaring ten behoeve van de rechthebbende van deze in beslag genomen voorwerpen gelasten.
8. De vordering tenuitvoerlegging na voorwaardelijke veroordeling 13/126684-25
De officier van justitie heeft op 16 april 2026 de tenuitvoerlegging gevorderd van bovengenoemde voorwaardelijke veroordeling. De rechtbank zal deze vordering tot tenuitvoerlegging met parketnummer 13/126684-25 afwijzen, omdat aan verdachte de ISD-maatregel wordt opgelegd. Toewijzing van de vordering vindt de rechtbank daarom niet opportuun. De beslissing van de vordering tot tenuitvoerlegging van 23 december 2025 in verband met overtreding van de bijzondere voorwaarden, is in een afzonderlijke beslissing geminuteerd.
9. Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen maatregel is gegrond op de artikelen 33, 33a, 36b, 36c, 38m, 38n, 58, 311 en 416 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.
10. Beslissing
De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.
Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op:
Ten aanzien van het in zaak A onder 1 tenlastegelegde:
opzetheling
Ten aanzien van het in zaak A onder 2 tenlastegelegde:
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III
en
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie
Ten aanzien van het in zaak B tenlastegelegde:
diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking
Verklaart het bewezene strafbaar.
Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.
Legt ter zake van zaak B op de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders voor de duur van 2 (twee) jaren.
Bepaalt dat ter zake van zaak A, feiten 1 en 2 geen straf of maatregel wordt opgelegd.
Ten aanzien van de in beslag genomen voorwerpen:
Verklaart onttrokken aan het verkeer de volgende goederen:
3 STK Patronen (PL1300-2026015542-G6763640)
1. STK Kistje (PL1300-2026015542-G6763952)
1. STK Pistool (PL1300-2026015542-G6763638)
1. STK Patroonhouder (PL1300-2026015542-G6763641)
Verklaart verbeurd:
1. STK Handslijptol (BZAZ2153)
Handgereedschap/lopers (BZAZ2161)
Gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbende van:
1. STK Fiets (BZAZ2185)
1. STK Hoefijzerslot (BZAZ2191)
Beslissing na voorwaardelijke veroordeling onder parketnummer 13/126684-25
Wijst af de vordering van de officier van justitie van 16 april 2026 tot tenuitvoerlegging in de zaak met parketnummer 13/126684-25.
Dit vonnis is gewezen door
mr. A.A. Spoel, voorzitter,
mrs. D.M.S. Gribling en A. Timorason, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. A.M. Essink, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 3 juni 2026.
[…]
[…]
[…] […] […] […] […]
[…] […] […] […] […]
.