ECLI:NL:RBAMS:2026:9518

ECLI:NL:RBAMS:2026:9518

Instantie Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak 23-09-2026
Datum publicatie 23-09-2026
Zaaknummer 13/075256-26 (zaak A) en 13/129499-25 (zaak B)
Rechtsgebied Strafrecht; Materieel strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Amsterdam

Samenvatting

Verdachte heeft zich in zaak A schuldig gemaakt aan twee mishandelingen. De rechtbank rekent het verdachte aan dat hij zich daarbij zowel tegenover zijn toenmalige levensgezel als tegenover degene die haar te hulp schoot met geweld heeft gedragen. Daarnaast heeft verdachte zich in zaak B schuldig gemaakt aan mishandeling van twee verbalisanten en belediging van een derde verbalisant. Verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 maanden, waarvan 4 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

vonnis

Afdeling Publiekrecht

Teams Strafrecht

Parketnummers: 13/075256-26 (zaak A) en 13/129499-25 (zaak B) (ter terechtzitting gevoegd)

Datum uitspraak: 23 september 2026

Vonnis van de rechtbank Amsterdam , meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2002,

ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:

[BRP-adres] ,

thans gedetineerd te: [detentieadres] .

1. Onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 9 september 2026.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. M.S. Gerritsen, en van wat verdachte en zijn raadsvrouw, mr. M.G.M. Frerix, advocaat te Ede, naar voren hebben gebracht.

2. Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat hij zich in [plaats] schuldig heeft gemaakt aan:

ten aanzien van zaak A

feit 1 primair: poging tot zware mishandeling van zijn levensgezel [aangeefster/slachtoffer] op 9 maart 2026;

feit 1 subsidiair: mishandeling van zijn levensgezel [aangeefster/slachtoffer] op 9 maart 2026;

feit 2: mishandeling van [slachtoffer] op 9 maart 2026;

ten aanzien van zaak B

feit 1: mishandeling van de ambtenaren [verbalisant 1/benadeelde partij] en [verbalisant 2/benadeelde partij] op 23 januari 2025;

feit 2: belediging van de ambtenaar [verbalisant 3/benadeelde partij] op 23 januari 2025.

De volledige tenlastelegging is opgenomen in bijlage I die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

3. Waardering van het bewijs

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder feit 1 primair tenlastegelegde en het onder feit 2 tenlastegelegde in zaak A bewezen kunnen worden verklaard. Volgens de officier van justitie heeft verdachte opzet gehad op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel door aangeefster ongeveer één minuut haar zuurstof te ontnemen.

De officier van justitie heeft zich tevens op het standpunt gesteld dat beide tenlastegelegde feiten in zaak B bewezen kunnen worden verklaard.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft bepleit dat het onder feit 1 primair tenlastegelegde in zaak A niet bewezen kan worden, omdat de gedraging van verdachte naar haar uiterlijke verschijningsvorm niet zozeer is gericht op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel.

Ten aanzien van het onder feit 1 subsidiair tenlastegelegde en het onder feit 2 tenlastegelegde in zaak A, alsmede ten aanzien van beide tenlastegelegde feiten in zaak B, heeft de raadsvrouw geen bewijsverweer gevoerd.

Het oordeel van de rechtbank

Ten aanzien van zaak A

Feiten en omstandigheden

Op 10 maart 2026 is aangeefster [aangeefster/slachtoffer] aanvullend verhoord naar aanleiding van haar aangifte tegen verdachte op 9 maart 2026. Zij heeft in dit verhoor verklaard dat zij enkele jaren een relatie heeft met verdachte en op 9 maart 2026 bij hem was. Zij verbleef vaak bij hem. Aangeefster kreeg daar ruzie met verdachte omdat hij dacht dat zij vreemdging. Vervolgens voelde aangeefster dat verdachte meerdere keren op haar gezicht en hoofd sloeg. Ook heeft hij haar meerdere keren geschopt en geslagen op haar rug. Daarna greep verdachte aangeefster bij haar keel en hield hij zijn hand op haar mond, zodat zij even geen adem meer kreeg. Op de foto’s die bij de aangifte zijn gevoegd is letsel te zien. Aangeefster heeft tot slot verklaard dat [slachtoffer] haar probeerde te helpen, maar ook klappen kreeg van verdachte.

Op 12 maart 2026 is aangeefster medisch onderzocht. Daarbij zijn op haar hoofd bloeduitstortingen waargenomen en op haar rug zijn huiddoorbrekingen met korstvorming waargenomen.

[getuige] is als getuige gehoord. Hij heeft verklaard dat hij op 9 maart 2026 aanwezig was in de woning van verdachte, waar hij zag dat verdachte met beide handen en gebalde vuisten slaande bewegingen maakte richting het gezicht van aangeefster. Hij zag vervolgens dat verdachte haar keel vastpakte.

Ook [slachtoffer] heeft op 9 maart 2026 aangifte gedaan tegen verdachte. Ook hij heeft verklaard dat hij op 9 maart 2026 aanwezig was in de woning van verdachte in [plaats] en dat verdachte aangeefster meerdere malen met zijn vuisten sloeg en schopte. Toen hij voor haar op wilde komen, kreeg hij ook meerdere vuistslagen in zijn gezicht. Op foto’s van aangever is letsel aan zijn neus zichtbaar.

Op basis van het voorgaande stelt de rechtbank vast dat verdachte aangeefster [aangeefster/slachtoffer] , zijn levensgezel, op 9 maart 2026 te [plaats] meerdere malen tegen haar hoofd heeft geslagen, meerdere malen heeft geschopt en geslagen tegen het lichaam en haar keel dan wel hals heeft vastgepakt. Ook stelt de rechtbank vast dat verdachte [slachtoffer] meermalen tegen zijn hoofd heeft geslagen.

Vrijspraak poging tot zware mishandeling (feit 1 primair)

De rechtbank zal verdachte vrijspreken van het onder feit 1 primair tenlastegelegde. De rechtbank stelt daarbij voorop dat voor een bewezenverklaring van dit feit vereist is dat komt vast te staan dat verdachte door zijn handelen een aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel van aangeefster in het leven heeft geroepen en dat hij deze kans bewust heeft aanvaard.

Onder omstandigheden kan het vastpakken van de keel zwaar lichamelijk letsel tot gevolg hebben, maar dat is niet zonder meer het geval. In dit geval blijkt uit de inhoud van het dossier onvoldoende hoe lang en met welke kracht en intensiteit verdachte de keel van aangeefster heeft vastgepakt. Het verhoor van aangeefster, de getuigenverklaringen en het medische onderzoek geven hierover geen uitsluitsel.

Gelet hierop kan niet worden vastgesteld dat verdachte door zijn handelen een aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel van aangeefster in het leven heeft geroepen en dat verdachte deze kans ook bewust heeft aanvaard. Ook het slaan en schoppen van aangeefster bieden daarvoor onvoldoende grond.

Bewezenverklaring mishandeling (feit 1 subsidiair en feit 2)

De rechtbank is van oordeel dat de bewezenverklaarde handelingen onder feit 1 wel kunnen worden gekwalificeerd als mishandeling van zijn levensgezel en acht het onder feit 1 subsidiair tenlastegelegde daarmee wettig en overtuigend bewezen.

Ook de bewezenverklaarde handelingen onder feit 2 kunnen volgens de rechtbank worden gekwalificeerd als mishandeling. De rechtbank acht ook feit 2 wettig en overtuigend bewezen.

Ten aanzien van zaak B

De rechtbank acht bewezen dat verdachte op 23 januari 2025 te [plaats] verbalisanten [verbalisant 1/benadeelde partij] en [verbalisant 2/benadeelde partij] heeft mishandeld en verbalisant [verbalisant 3/benadeelde partij] heeft beledigd door in zijn gezicht te spugen. De rechtbank overweegt hiertoe het volgende.

Op 23 januari 2025 was onder andere verbalisant [verbalisant 1/benadeelde partij] aanwezig bij de woning van verdachte in [plaats] om collega’s te ondersteunen. Hij zag verdachte de straat op rennen en probeerde hem vast te pakken. Verdachte gaf hem vervolgens een vuistslag tegen zijn hoofd, die werd gezien door verbalisant [verbalisant] . Op 27 januari 2025 is verbalisant [verbalisant 1/benadeelde partij] medisch onderzocht. Uit dit onderzoek blijkt dat hij een onderhuidse bloeduitstorting en een oppervlakkige huidbeschadiging aan zijn voorhoofd heeft opgelopen.

Ook verbalisant [verbalisant 2/benadeelde partij] was op 23 januari 2025 aanwezig bij de woning van verdachte en heeft aangifte van mishandeling gedaan tegen hem. Zij heeft verklaard dat verdachte, toen hij naar buiten rende, haar drie harde klappen aan de linkerzijde van haar gezicht gaf. Ook zij is op 27 januari 2025 medisch onderzocht. Daarbij is op haar linkerwang en aan de linkerzijde van haar neus een rode verkleuring waargenomen.

Tot slot was verbalisant [verbalisant 3/benadeelde partij] op 23 januari 2025 aanwezig bij de woning van verdachte. Hij heeft aangifte gedaan van belediging en heeft verklaard dat verdachte, tijdens zijn aanhouding, in zijn gezicht spuugde. Verdachte heeft op de zitting van 9 september 2026 bekend dat hij verbalisant [verbalisant 3/benadeelde partij] in zijn gezicht heeft gespuugd.

4. Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in de bijlage II opgenomen bewijsmiddelen bewezen dat

verdachte:

ten aanzien van zaak A

feit 1 subsidiair

op 9 maart 2026 te [plaats] [aangeefster/slachtoffer] heeft mishandeld, door die [aangeefster/slachtoffer]- de keel/hals vast te pakken en vast te houden en- meermaals te slaan tegen het hoofd, en- meermaals te slaan en schoppen tegen het lichaam,terwijl verdachte dit misdrijf beging tegen zijn levensgezel;

feit 2

op 9 maart 2026 te [plaats] [slachtoffer] heeft mishandeld, door die [slachtoffer] meermaals te slaan tegen het hoofd;

ten aanzien van zaak B

feit 1

op 23 januari 2025 te [plaats] ambtenaren [verbalisant 1/benadeelde partij] en [verbalisant 2/benadeelde partij] , gedurende en/of terzake van de rechtmatige uitoefening van hun bediening heeft mishandeld, door die [verbalisant 1/benadeelde partij] met een vuist op het hoofd te slaan en die [verbalisant 2/benadeelde partij] meermaals in het gezicht te slaan;

feit 2

op 23 januari 2025 te [plaats] opzettelijk een ambtenaar, te weten [verbalisant 3/benadeelde partij] , werkzaam als inspecteur bij de politie-eenheid [plaats] , gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, in zijn tegenwoordigheid, door feitelijkheden heeft beledigd door hem in het gezicht te spugen.

5. Strafbaarheid van de feiten

De bewezenverklaarde feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

6. Strafbaarheid van verdachte

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft zich, gelet op de inhoud van de Pro Justitia rapportage van het psychologisch onderzoek van 3 juni 2026, op het standpunt gesteld dat verdachte ten aanzien van zaak A verminderd toerekeningsvatbaar dient te worden verklaard.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft verzocht verdachte verminderd toerekeningsvatbaar te verklaren.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft kennisgenomen van de Pro Justitia rapportage, opgesteld in zaak A door dr. [psycholoog] , GZ-psycholoog, van 3 juni 2026. Daaruit blijkt – kort samengevat – het volgende.

Er is bij verdachte sprake van een ontwikkelingsproblematiek in de vorm van ADHD, een autismespectrumstoornis en een benedengemiddeld intelligentieniveau. Daarnaast is sprake van stoornissen in het gebruik van cocaïne en cannabis, een traumagerelateerde stoornis en een bedreigde persoonlijkheidsontwikkeling met antisociale kenmerken. Het is aannemelijk dat voornoemde stoornissen ook ten tijde van het tenlastegelegde in zaak A aanwezig waren en dat deze zijn gedragingen hebben beïnvloed.

Hoewel het goed mogelijk is dat het drugsgebruik, met name het cocaïnegebruik, een ontremmend effect heeft gehad op het gedrag van verdachte, worden onvoldoende aanwijzingen gevonden voor een doorgemaakte drugspsychose. Wel blijkt uit verschillende bronnen dat verdachte in de afgelopen maanden de controle over zijn gebruik steeds meer verloor, waarbij het hem niet lukte om dit zelfstandig te doorbreken. Aan deze gevoeligheid voor verslaving lijkt, naast aanlegfactoren, met name een fors verstoorde impulsbeheersing ten grondslag te liggen. Ook zijn er al vanaf jonge leeftijd problemen in de frustratietolerantie en de emotie- en agressieregulatie. Deze problemen lijken deels verklaard te kunnen worden vanuit een gebrek aan duidelijkheid en voorspelbaarheid, passend bij autismespectrumproblematiek. Gelet op het externaliserende gedrag en de beperkte gewetensontwikkeling kunnen deze problemen echter ook worden begrepen vanuit gedragsproblematiek en een bedreigde persoonlijkheidsontwikkeling.

Het wordt aannemelijk geacht dat verdachte vanuit de met zijn pathologie samenhangende forse beperkingen in de impulsbeheersing en emotieregulatie onvoldoende in staat is geweest om zijn gedrag op adequate wijze te sturen, zonder dat hij dusdanig werd overheerst door zijn pathologie dat hij geen enkele keuzevrijheid meer had. Het advies is dan ook om het tenlastegelegde in zaak A in verminderde mate aan verdachte toe te rekenen.

De rechtbank heeft geen reden om aan de conclusie van de gedragsdeskundige te twijfelen en neemt het advies over. De rechtbank zal dan ook het bewezenverklaarde in zaak A in verminderde mate aan verdachte toerekenen.

Verdachte is dus strafbaar voor het bewezenverklaarde in zaak A en zaak B. Er zijn geen bijzondere omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten.

7. Motivering van de straffen

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met aftrek van de tijd die verdachte reeds in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. Zij heeft een proeftijd van 2 jaren gevorderd en tevens de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering. Deze voorwaarden dienen volgens de officier van justitie dadelijk uitvoerbaar te worden verklaard.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft verzocht bij de strafoplegging rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte, te weten zijn verminderde toerekeningsvatbaarheid, het feit dat hij hulp en behandeling nodig heeft en het feit dat artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht van toepassing is.

Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezenverklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

Aard en ernst van de feiten

Verdachte heeft zich in zaak A schuldig gemaakt aan twee mishandelingen. De rechtbank rekent het verdachte aan dat hij zich daarbij zowel tegenover zijn toenmalige levensgezel als tegenover degene die haar te hulp schoot met geweld heeft gedragen. Met deze mishandelingen heeft verdachte pijn en letsel veroorzaakt en inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van beide slachtoffers. De mishandeling van zijn toenmalige levensgezel heeft bij haar tot angstgevoelens geleid. Dit blijkt duidelijk uit de slachtofferverklaring die tijdens de zitting is voorgelezen.

Daarnaast heeft verdachte zich in zaak B schuldig gemaakt aan mishandeling van twee verbalisanten en belediging van een derde verbalisant. Verdachte heeft daarmee pijn en letsel toegebracht aan de verbalisanten en inbreuk gemaakt op hun lichamelijke integriteit. De verbalisanten waren op dat moment bezig met de uitoefening van hun werkzaamheden en moeten, in het belang van de openbare orde en veiligheid, veilig kunnen functioneren zonder daarbij te worden geconfronteerd met geweld en beledigingen. Door zijn handelen heeft verdachte geen respect getoond voor het gezag van de ambtenaren in functie en het publieke belang dat door opsporingsambtenaren wordt gediend.

Persoon van verdachte

Uittreksel Justitiële Documentatie

De rechtbank heeft kennisgenomen van het Uittreksel Justitiële Documentatie (het strafblad) van verdachte van 20 juli 2026. Hieruit blijkt dat verdachte de afgelopen vijf jaar niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke feiten. Ook blijkt dat artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht van toepassing is gelet op het hierna vermelde vonnis van de politierechter van de rechtbank Amsterdam van 16 juli 2025 (zie onder 9). De rechtbank houdt hiermee rekening.

Pro Justitia rapportage

Uit voormelde Pro Justitia rapportage blijkt – kort samengevat – het volgende.

Wanneer verdachte zonder juridisch kader, behandeling en begeleiding in de maatschappij zou terugkeren, wordt het risico op gewelddadig gedrag op korte termijn als matig tot hoog ingeschat. De verwachting is dat verdachte zich wellicht kortdurend zal weten te handhaven, maar zijn positieve levensdoelen op het gebied van werk zonder hulp moeilijk zal weten om te zetten in haalbare tussenstappen. Met het verwachte gebrek aan huisvesting en dagbesteding liggen op korte tot middellange termijn dan ook onderprikkeling, verveling, verkeerde contacten en daarmee ook drugsgebruik op de loer. Gelet op de al aanwezige problemen in de impulscontrole en emotieregulatie kan het risico op gewelddadig gedrag onder die omstandigheden snel oplopen tot hoog.

Gelet op de ernstige en al langdurig aanwezige problematiek van verdachte wordt verdere behandeling, begeleiding en toezicht noodzakelijk geacht. Op het gebied van behandeling dient allereerst aandacht te zijn voor forensisch relevante thema’s in het kader van recidivepreventie, zoals het omgaan met verslavingsproblematiek, het afgrenzen van negatieve contacten en het versterken van de impulscontrole en agressieregulatievaardigheden. Daarnaast kan traumagerichte behandeling worden ingezet. In de bejegening is het van belang rekening te houden met de behoefte aan duidelijkheid, structuur, voorspelbaarheid en duidelijke grenzen.

Een ambulante behandeling werd eerder dit jaar vanwege het niet te doorbreken middelengebruik niet langer doelmatig geacht bij het verminderen van het recidiverisico. Gezien het feit dat verdachte inmiddels ook zijn woning is kwijtgeraakt, wordt het niet waarschijnlijk geacht dat een inhoudelijke behandeling binnen een ambulant kader op korte termijn van de grond zal komen. Hoewel een klinische opname op dit moment niet meer noodzakelijk is om abstinentie van middelen te bereiken, lijkt een klinische start van een langduriger traject passend om binnen de structuur van een instelling gericht te werken aan de behandeldoelen. Daartoe lijkt een forensische verslavingsafdeling of -kliniek met een beperkt beveiligingsniveau passend. Het klinische deel van een dergelijk traject zal naar verwachting enkele maanden in beslag nemen en daarna worden vervolgd met een ambulant traject, waarbij een combinatie van woonbegeleiding, reclasseringstoezicht en, waar nodig, een FACT-team passend wordt geacht.

Het advies is om de hierboven beschreven behandeling en begeleiding te laten plaatsvinden binnen de bijzondere voorwaarden van een voorwaardelijk strafdeel.

Reclasseringsadvies

Ten slotte heeft de rechtbank kennis genomen van het reclasseringsrapport van 20 augustus 2026. Daaruit blijkt – kort samengevat – het volgende.

Er is bij verdachte sprake van instabiliteit op meerdere leefgebieden. Verdachte is naar aanleiding van zijn detentie en eerdere overlast zijn woning kwijtgeraakt. Daarnaast heeft hij al geruime tijd geen vorm van dagbesteding. Het sociale netwerk van verdachte bestaat veelal uit gebruikers, die van invloed zijn op zijn eigen middelengebruik. Het gebrek aan huisvesting en dagbesteding, het sociale netwerk en het psychosociaal functioneren worden als risicofactoren gezien. Er is sprake van een beginnend delictpatroon met betrekking tot geweldsdelicten en het recidiverisico wordt ingeschat als hoog.

Verdachte heeft momenteel nog een lopend reclasseringstoezicht, waarbij ambulante behandeling inhoudelijk niet van de grond komt vanwege het middelengebruik van verdachte. Voor onderhavig adviesrapport is daarom ingezet op een langdurige klinische opname. Hierbij kan verdachte werken aan zijn verslavingsproblematiek, weerbaarheid, impulscontrole, emotie- en agressieregulatie en traumabehandeling binnen een veilige omgeving waarin voldoende structuur wordt geboden. Na afronding van de klinische opname dient verdachte zijn behandeling ambulant voort te zetten. Middels urinecontroles kan de reclassering zijn abstinentie monitoren en ingrijpen indien sprake is van een terugval in middelengebruik.

De reclassering adviseert een (deels) voorwaardelijke straf met de volgende voorwaarden:

meldplicht bij reclassering;

opneming in een zorginstelling;

ambulante behandeling met mogelijke kortdurende opname;

verblijf in begeleid wonen of maatschappelijke opvang;

contactverbod met [aangeefster/slachtoffer] ;

locatieverbod [straat] in [plaats] ;

dagbesteding;

beheersing middelengebruik.

Zij adviseert tevens de dadelijke uitvoerbaarheid van deze voorwaarden en het toezicht.

Op te leggen straf

De rechtbank is van oordeel dat de ernst van de feiten een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van forse duur rechtvaardigt en dat daarnaast een flink strafdeel voorwaardelijk moet worden opgelegd. Door dit voorwaardelijke strafdeel – en het toezicht en de behandeling die daaraan zullen worden verbonden – wordt verdachte in de gelegenheid gesteld zijn problematiek onder ogen te zien en hiermee aan de slag te gaan. De rechtbank heeft bij het bepalen van de hoogte van de straf acht geslagen op de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Ook houdt de rechtbank uitdrukkelijk rekening met het feit dat in zaak A tenlastegelegde in verminderde mate aan verdachte kan worden toegerekend. Omdat de rechtbank verdachte vrijspreekt van het onder feit 1 primair tenlastegelegde in zaak A komt de rechtbank tot een lagere straf dan de eis van de officier van justitie.

Alles afwegend acht de rechtbank het passend en geboden om aan verdachte een gevangenisstraf voor de duur van 10 maanden op te leggen, waarvan 4 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. Daarnaast zal de rechtbank aan het voorwaardelijke strafdeel – naast de algemene voorwaarden – de bijzondere voorwaarden verbinden zoals de reclassering heeft geadviseerd en deze voorwaarden dadelijk uitvoerbaar verklaren.

8. De benadeelde partijen en de schadevergoedingsmaatregel

De vordering van de benadeelde partij [verbalisant 2/benadeelde partij]

De benadeelde partij [verbalisant 2/benadeelde partij] vordert een bedrag van € 400,- aan immateriële schade. Zij stelt dat zij als gevolg van het onder feit 1 tenlastegelegde in zaak B letsel heeft opgelopen en daarvan erg is geschrokken. Zij verzoekt tevens om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering voor toewijzing vatbaar is, met inbegrip van de wettelijke rente en toepassing van de schadevergoedingsmaatregel.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Het oordeel van de rechtbank

Vast staat dat aan de benadeelde partij [verbalisant 2/benadeelde partij] door het onder feit 1 tenlastegelegde in zaak B rechtstreeks immateriële schade is toegebracht gelet op het lichamelijk letsel. De vordering is billijk en niet betwist en zal daarom worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 23 januari 2025. Daarnaast zal de rechtbank aan verdachte de schadevergoedingsmaatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen.

De vordering van de benadeelde partij [verbalisant 3/benadeelde partij]

De benadeelde partij [verbalisant 3/benadeelde partij] vordert een bedrag van € 400,- aan immateriële schade. Hij stelt dat hij zich als gevolg van het onder feit 2 tenlastegelegde in zaak B vies heeft gevoeld en in zijn eer en goede naam werd aangetast. Hij verzoekt tevens om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering voor toewijzing vatbaar is, met inbegrip van de wettelijke rente en toepassing van de schadevergoedingsmaatregel.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft verzocht de hoogte van de schadevergoeding te matigen.

Het oordeel van de rechtbank

Vast staat dat aan de benadeelde partij [verbalisant 3/benadeelde partij] door het onder feit 2 tenlastegelegde in zaak B rechtstreeks immateriële schade is toegebracht omdat sprake is van aantasting van de eer en goede naam. Gelet op de schadevergoedingen die doorgaans voor soortgelijke feiten worden toegewezen, acht de rechtbank een immateriële schadevergoeding ter hoogte van € 250,- redelijk en billijk. De rechtbank zal dit bedrag toewijzen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 23 januari 2025. Daarnaast zal de rechtbank aan verdachte de schadevergoedingsmaatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen. De rechtbank wijst het overige deel van de gevorderde immateriële schade af.

9. Vordering tenuitvoerlegging voorwaardelijke veroordeling

De vordering tenuitvoerlegging met parketnummer 13/021646-25

De vordering tot tenuitvoerlegging voorwaardelijke veroordeling betreft het onherroepelijk geworden vonnis van 16 juli 2025 van de politierechter van deze rechtbank, in de zaak met parketnummer 13/021646-25. Verdachte is in deze zaak veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft verzocht de vordering tot tenuitvoerlegging niet volledig toe te wijzen, omdat dit zou leiden tot uitstel van de behandeling van verdachte. Zij heeft verzocht om een maand gevangenisstraf om te zetten in een taakstraf voor de duur van 120 uren en voor het resterende gedeelte van 2 maanden de proeftijd te verlengen met een jaar, zodat het houdverbod van dieren van kracht blijft.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft primair verzocht te volstaan met verlenging van de proeftijd, omdat verdachte nog 240 uren taakstraf open heeft staan en omzetting tot praktische problemen kan leiden. Subsidiair heeft zij verzocht een gedeelte van de voorwaardelijke straf om te zetten in een taakstraf.

Het oordeel van de rechtbank

Gebleken is dat verdachte zich voor het einde van voornoemde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt, zoals naar voren komt uit de verdere inhoud van dit vonnis.

De rechtbank ziet aanleiding om, in plaats van de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke straf, de proeftijd met een jaar te verlengen, omdat de rechtbank het van belang acht dat de bijzondere voorwaarden die aan deze voorwaardelijke straf zijn verbonden, in stand blijven.

De rechtbank zal een gedeeltelijke tenuitvoerlegging in de vorm van een taakstraf niet gelasten om verdachte niet te overvragen, nu er uit een eerdere strafzaak nog een taakstraf van 240 uur uitgevoerd moet worden en verdachte nog een periode in een zorginstelling zal doorbrengen.

10. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 57, 63, 266, 267, 300 en 304 van het Wetboek van Strafrecht.

11. Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart het onder feit 1 primair tenlastegelegde in zaak A niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde in zaak A en zaak B heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan

hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezenverklaarde levert op:

ten aanzien van zaak A

feit 1: mishandeling, begaan tegen zijn levensgezel;

feit 2: mishandeling;

ten aanzien van zaak B

feit 1: mishandeling, gepleegd tegen een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, meermalen gepleegd;

feit 2: eenvoudige belediging, aangedaan aan een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte] , daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 (tien) maanden.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering zal worden gebracht.

Bepaalt dat een deel van deze gevangenisstraf, namelijk 4 (vier) maanden, niet ten uitvoer

gelegd zal worden, tenzij later anders wordt bevolen.

Stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaren vast.

De tenuitvoerlegging kan worden bevolen indien de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit.

De tenuitvoerlegging kan ook worden bevolen indien de veroordeelde gedurende de proeftijd de hierna vermelde bijzondere voorwaarden niet naleeft.

Stelt als bijzondere voorwaarden:

- Meldplicht bij reclassering

Veroordeelde meldt zich gedurende de proeftijd op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. Voor de eerste afspraak meldt veroordeelde zich binnen drie dagen nadat de proeftijd is ingegaan bij de GGZ Reclassering Inforsa op het adres [adres] .

- Opneming in een zorginstelling

Veroordeelde laat zich tijdens de proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt, opnemen en behandelen door een Forensische Psychiatrische Afdeling/Kliniek of een soortgelijke zorginstelling, te bepalen door de voor plaatsing verantwoordelijke instantie. De opname start zo spoedig mogelijk nadat de proeftijd is gestart en zodra de plaatsing mogelijk is. De zorginstelling bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op psychische problematiek, verslavingsproblematiek, agressiebeheersing, traumaverwerking en cognitieve/sociale vaardigheden. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat veroordeelde voorgeschreven medicatie zal gebruiken. Veroordeelde houdt zich aan de huisregels en aanwijzingen van de zorginstelling en de behandelaren. Als de reclassering een overgang naar ambulante zorg of verblijf in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang nodig vindt, werkt veroordeelde mee aan de indicatiestelling en plaatsing.

- Ambulante behandeling met mogelijke kortdurende opname

Veroordeelde laat zich gedurende de proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt, behandelen door het FACT-team van Inforsa of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op psychische problematiek, verslavingsproblematiek, agressiebeheersing en cognitieve vaardigheden. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat veroordeelde voorgeschreven medicatie zal gebruiken.

Indien er sprake is van een terugval in middelengebruik/bij overmatig middelengebruik en/of een zodanige verslechtering van de psychische toestand van veroordeelde dat een kortdurende klinische opname voor detoxificatie/stabilisatie/observatie/diagnostiek/ crisisbehandeling noodzakelijk is, kan de reclassering een indicatiestelling aanvragen voor een dergelijke kortdurende klinische opname voor de duur van maximaal 7 weken. Indien de voor indicatie verantwoordelijke instantie een kortdurende klinische opname indiceert, nadat dit door de rechter is bevolen, laat veroordeelde zich opnemen in een zorginstelling te bepalen door de justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing.

- Verblijf in begeleid wonen of maatschappelijke opvang

Veroordeelde verblijft gedurende de proeftijd of zoveel korter als de reclassering dat nodig vindt, in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering. Veroordeelde houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering opstelt.

- Contactverbod

Veroordeelde zoekt of heeft gedurende de proeftijd op geen enkele wijze – direct of indirect – contact met [aangeefster/slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] te [plaats] .

- Locatieverbod (zonder elektronisch toezicht)

Veroordeelde bevindt zich gedurende de proeftijd niet in de [straat] in [plaats] .

- Dagbesteding

Veroordeelde spant zich in voor het vinden en behouden van betaald werk, onbetaald werk en/of vrijetijdsbesteding, met een vaste structuur. De dagbesteding draagt bij aan het voorkomen van delictgedrag.

- Beheersing middelengebruik

Veroordeelde werkt gedurende de proeftijd mee aan controles om zicht te krijgen op het gebruik en/of het gebruik te leren beheersen van verdovende middelen, genoemd in lijst I (harddrugs), lijst II (softdrugs) en middelen die vallen onder een stofgroep genoemd in lijst IA in de Opiumwet. Deze controles kunnen bestaan uit urineonderzoek. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd.

Geeft aan de reclassering de opdracht als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd

Beveelt dat de op grond van artikel 14c van het Wetboek van Strafrecht gestelde voorwaarden en het op grond van artikel 14c, zesde lid van het Wetboek van Strafrecht uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn.

Wijst de vordering van [verbalisant 2/benadeelde partij] volledig toe en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan de benadeelde partij van een bedrag van € 400,- (vierhonderd euro). Voormeld bedrag bestaat uit vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 23 januari 2025.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [verbalisant 2/benadeelde partij] aan de Staat € 400,- (vierhonderd euro) te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade d.d. 23 januari 2025 tot aan de dag van de algehele voldoening. Voormeld bedrag bestaat uit vergoeding van immateriële schade. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 4 (vier) dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Wijst de vordering van [verbalisant 3/benadeelde partij] gedeeltelijk toe en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan de benadeelde partij van een bedrag van € 250,- (tweehonderdvijftig euro). Voormeld bedrag bestaat uit vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 23 januari 2025. Wijst het overige deel van de gevorderde immateriële schade af.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [verbalisant 3/benadeelde partij] aan de Staat € 250,- (tweehonderdvijftig euro) te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade d.d. 23 januari 2025 tot aan de dag van de algehele voldoening. Voormeld bedrag bestaat uit vergoeding van immateriële schade. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 2 (twee) dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Verlengt de proeftijd, bepaald bij vonnis van de politierechter van de rechtbank Amsterdam van 16 juli 2025, gewezen onder parketnummer 13/021646-25, met een (1) jaar.

Heft het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis op.

Dit vonnis is gewezen door

mr. H.E. Hoogendijk, voorzitter,

mrs. C.M. Berkhout en Q.M.J.A. Crul, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. J. de Groot, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 23 september 2026.

[---]

[---]

[---]

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. H.E. Hoogendijk

Griffier

  • mr. J. de Groot

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand