RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13-054895-25
Datum beslissing: 25 augustus 2026
BESLISSING
op de vordering ex artikel 14, derde lid, Overleveringswet (hierna: OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank op 18 september 2025, strekkende tot het in behandeling nemen van een verzoek om toestemming te verlenen voor de tenuitvoerlegging van een straf die is opgelegd voor feiten die vóór het tijdstip van de overlevering zijn begaan en waarvoor de betrokkene niet is overgeleverd, als bedoeld in artikel 14, eerste lid, aanhef en onder g, OLW. Dit verzoek is ingediend door de Leitender Oberstaatsanwalt Koblenz, Duitsland op 26 maart 2025 en betreft:
[de opgeëiste persoon],
geboren op [geboortedag] 1991 in [geboorteplaats] (Turkije),
thans gedetineerd in Duitsland,
hierna te noemen: de overgeleverde persoon.
1. Beoordeling
Het verzoek bevat niet alle gegevens als bedoeld in artikel 8, eerste lid, van Kaderbesluit 2002/584/JBZ. De rechtbank kan uit het verzoek en de aanvullende informatie van 18 juli 2026 niet vaststellen welke voor tenuitvoerlegging vatbare gelijkwaardige rechterlijke beslissing aan het verzoek ten grondslag ligt, omdat onduidelijk is bij welk vonnis de herroeping van de opschorting van de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf heeft plaatsgevonden.
In verband met het voorgaande zal het verzoek worden afgewezen. Ten overvloede overweegt de rechtbank dat uit de stukken bovendien niet kan worden vastgesteld of de overgeleverde persoon feitelijk de mogelijkheid heeft gehad al zijn eventuele opmerkingen en bezwaren met betrekking tot het verzoek tot toestemming kenbaar te maken (vgl. HvJ EU 26 oktober 2021, C-428/21 PPU en C-429/21 PPU, ECLI:EU:C:2021:876, punt 63). De enkele mededeling aan de overgeleverde persoon dat een verzoek om aanvullende toestemming zal worden uitgevaardigd als hij geen afstand doet van het specialiteitsbeginsel, is hiertoe onvoldoende.
De rechtbank zal daarom het verzoek afwijzen.
2. Beslissing
De rechtbank:
WIJST AF het verzoek om toestemming voor tenuitvoerlegging van de straf op grond van artikel 14, eerste lid, aanhef en onder g, en derde lid, OLW van [de opgeëiste persoon] voor de feiten zoals vermeld in het verzoek.
Deze beslissing is genomen op 25 augustus 2026 door
mr. D.L.S. Ceulen, voorzitter,
mrs. E. de Rooij en A.B.M. Wijnveldt, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. G.S. Haas, griffier.