RECHTBANK AMSTERDAM
Civiel recht
Kantonrechter
Zaaknummer: 10314068 \ CV EXPL 23-1763
Vonnis van 3 september 2026
in de zaak van
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
ELBUCO B.V.,
gevestigd te Culemborg,
eisende partij,
gemachtigde: Janssen & Janssen c.s.,
tegen
[gedaagde] ,
wonende te [woonplaats],
gedaagde partij,
niet verschenen.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 13 januari 2023, met producties,
- het tegen gedaagde partij verleende verstek.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2. De beoordeling
Eisende partij stelt in de dagvaarding dat partijen een overeenkomst van huur van roerende zaken hebben gesloten. Eisende partij heeft met ingang van 26 februari 2020 een Sony LED-TV aan gedaagde partij verhuurd voor € 60,98 per maand. De overeenkomst is op afstand gesloten, via de website van eisende partij. Eisende partij stelt te hebben voldaan aan de informatieplichten van artikel 6:230m lid 1 en 6:230v van het Burgerlijk Wetboek (BW) en verwijst naar schermafdrukken van het bestelproces ter onderbouwing. Daarbij merkt eisende partij op dat de knop ‘Aanvragen’ niet is aan te merken als de bestelknop in de zin van artikel 6:230v lid 3 BW, omdat bij het klikken op die knop nog geen overeenkomst tot stand komt. Na de aanvraag is er eerst nog telefonisch contact geweest met gedaagde partij. Daarna is een concept overeenkomst toegestuurd, die vervolgens is ondertekend. Op de overeenkomst zijn de algemene voorwaarden van eisende partij van toepassing.
Gedaagde partij is volgens eisende partij toerekenbaar tekort geschoten in de nakoming van haar verbintenis door de huur vanaf 27 april 2021 tot een bedrag van € 243,92 onbetaald te laten. Dat bedrag wordt gevorderd. Eisende partij heeft de overeenkomst beëindigd tegen 2 september 2021. De overeenkomst zou echter lopen tot 26 februari 2023. Over de periode tussen de ontbinding en de einddatum van de overeenkomst derft eisende partij inkomsten en winst. Eisende partij begroot deze schade op € 644,88. Dat bedrag ziet op schadevergoeding voor gederfde huur over een periode van één jaar. Tot slot vordert eisende partij ophaalkosten van € 75,00 op grond van artikel 9.5 onder a van de algemene voorwaarden.
Eisende partij vordert een verklaring voor recht dat op grond van de in de dagvaarding omschreven toerekenbare tekortkomingen van gedaagde partij de tussen partijen gesloten huurovereenkomst tegen de einddatum als omschreven onder punt 3 van de dagvaarding is beëindigd. Daarnaast vordert eisende partij veroordeling van gedaagde partij tot betaling van € 963,80 aan hoofdsom, vermeerderd met incassokosten, rente en proceskosten.
De overeenkomst die aan de vordering ten grondslag is gelegd is gesloten tussen een handelaar en een consument. De kantonrechter moet in dat geval ambtshalve toetsen aan het consumentenrecht. Onderzocht moet worden of de informatieplichten zijn nageleefd. Daarnaast moet de overeenkomst worden getoetst aan Richtlijn 93/13 EG betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (hierna: de richtlijn).
De overeenkomst is te kwalificeren als een huurovereenkomst. Weliswaar is de mogelijkheid overeengekomen om het gehuurde na verstrijking van de overeengekomen termijn te kopen, maar de huurovereenkomst heeft niet de strekking van een koop op afbetaling of huurkoop. Daarbij is van belang dat de koopprijs niet is genoemd en eenzijdig door eisende partij wordt vastgesteld. De huurovereenkomst verplicht de consument niet om het gehuurde goed te kopen, terwijl niet kan worden vastgesteld dat het gehuurde goed kan worden gekocht tegen een symbolisch bedrag (urgerende koopoptie). Dat betekent dat de wetgeving over (goederen)kredieten niet van toepassing is.
Gelet op de gestelde wijze van totstandkoming van de overeenkomst, is sprake van een overeenkomst op afstand, zodat moet worden getoetst of is voldaan aan de informatieplichten van artikel 6:230m lid 1 en 6:230v BW. Als essentiële informatie niet of niet op de wettelijk voorgeschreven wijze aan gedaagde partij is verstrekt, moet de kantonrechter daarvoor een sanctie opleggen (ECLI:NL:HR:2021:1677). Bij de beoordeling is van belang dat gedaagde partij niet alleen op de website van eisende partij een aanvraagproces heeft doorlopen, maar ook daarna telefonisch contact is geweest en tot slot een overeenkomst is ondertekend.
Aan de hand van de overgelegde stukken, waaruit blijkt welke informatie in de precontractuele fase (dus vóór de ondertekening van de overeenkomst) aan gedaagde partij is verstrekt, wordt vastgesteld dat eisende partij gedaagde partij niet of niet op de wettelijk voorgeschreven wijze heeft geïnformeerd over:
het ontbindingsrecht, artikel 6:230m lid 1 onder h BW,
de duur van de overeenkomst en de opzeggingsvoorwaarden, artikel 6:230m lid 1 onder o BW.
Ter toelichting geldt het volgende. Weliswaar staat in de ondertekende overeenkomst de minimumduur van de overeenkomst, maar er is niet op duidelijke en begrijpelijke wijze informatie verstrekt over wat er na die periode gebeurt. Eisende partij had gedaagde partij tijdens de contractsluiting erover moeten informeren dat de overeenkomst na de minimumperiode doorloopt, dat de consument daarna mag opzeggen en met welke opzegtermijn. Dat de informatie ergens op een andere plek op de website te vinden is, volstaat niet. Voor wat betreft het ontbindingsrecht geldt dat onderaan de handtekeningen op de overeenkomst weliswaar wordt gerefereerd aan een ontbindingsrecht, maar de wijze waarop dat recht kan worden uitgeoefend is niet beschreven. Evenmin is gebleken dat het modelformulier voor ontbinding aan gedaagde partij is toegestuurd.
Wat eisende partij heeft aangevoerd over de bestelknop, kan de kantonrechter volgen. De knop op de website geldt niet als knop als bedoeld in artikel 6:230v lid 3 BW, omdat met het klikken op die knop slechts een aanvraag wordt gedaan. De overeenkomst komt pas tot stand na het ondertekenen daarvan. Met het plaatsen van een handtekening direct onder de overeenkomst heeft gedaagde partij het aanbod van eisende partij – waaruit onmiskenbaar een betalingsverplichting volgt – aanvaard, zodat is voldaan aan het bepaalde in artikel 6:230v lid 3 BW.
In de contractuele fase is niet alle essentiële informatie in de overeenkomst bevestigd. Informatie over de wijze van betaling en de opzeggingsvoorwaarden ontbreekt.
In de precontractuele fase zijn dus twee essentiële informatieplichten geschonden en in de contractuele fase ook. In de contractuele fase worden meerdere schendingen voor de vaststelling van de sanctie echter geteld als één schending. Overeenkomstig de meest recente versie van het landelijke sanctiemodel zal de kantonrechter voor de geconstateerde schendingen een sanctie opleggen. Nu het een verstekzaak betreft, kan de overeenkomst uitsluitend gedeeltelijk worden vernietigd, in die zin dat de betalingsverplichting van gedaagde partij wordt verminderd. De sanctie komt in dit geval uit op een vermindering van de betalingsverplichting van gedaagde partij met 20%.
De overeenkomst moet ook worden getoetst aan de richtlijn. Op grond van de arresten van het Europese Hof van Justitie van 27 januari 2021, C-229/19, ECLI:EU:C:2021:68 (Dexia) en 8 december 2022, C-625/21, ECLI:EU:C:2022:971 (Gupfinger) moet de kantonrechter, ook als eisende partij zich in de procedure niet beroept op een bepaald beding in de overeenkomst, maar op de wet, ambtshalve onderzoeken of het beding in de voorwaarden waarop zij zich had kunnen beroepen niet oneerlijk is in de zin van de richtlijn. Indien een beding als oneerlijk wordt aangemerkt, kan ingevolge deze arresten geen aanspraak meer worden gemaakt op de wettelijke regeling die zonder dat beding van toepassing zou zijn geweest en moet haar vordering op dit punt worden afgewezen.
Bij de beoordeling van het oneerlijke karakter van een beding gaat het erom of dat beding, in strijd met de goede trouw, het evenwicht tussen de uit de overeenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen van partijen ten nadele van de consument aanzienlijk verstoort (artikel 3 lid 1 van de richtlijn). Hierbij moeten alle omstandigheden rond de sluiting van de overeenkomst worden meegewogen en alle andere bedingen van de overeenkomst, rekening houdend met de aard van de goederen of diensten waarop de overeenkomst betrekking heeft, in aanmerking worden genomen. Daarbij moet worden uitgegaan van de datum waarop de overeenkomst is gesloten. Irrelevant voor deze toets is de feitelijke toepassing en uitvoering van de bedingen, of een achteraf gegeven uitleg.
De gevorderde hoofdsom is gebaseerd op een prijsbeding, dat ziet op het eigenlijke voorwerp van de overeenkomst. Ambtshalve toetsing van die bedingen is ingevolge artikel 4 lid 2 van de richtlijn alleen aan de orde als deze niet duidelijk en begrijpelijk zijn geformuleerd. Nu het onderhavige beding duidelijk en begrijpelijk is geformuleerd, is verdere toetsing aan de richtlijn niet aan de orde.
De volgende bedingen in de algemene voorwaarden uit 2020 zijn voor de onderhavige vordering van belang, omdat eisende partij daarop een beroep doet of had kunnen doen:
Bij niet tijdige betaling wordt de Huurder schriftelijk of elektronisch aangemaand. Deze aanmaning vindt maandelijks plaats.
Bij niet tijdige betaling schiet Huurder tekort in de nakoming van de Overeenkomst en komt Huurder in verzuim.
Bij niet tijdige betaling is Huurder de volgende kosten aan Elbuco verschuldigd:
a. De wettelijke rente voor consumententransacties per (gedeelte van een) maand over het opeisbare bedrag;
b. Administratiekosten zoals die jaarlijks door Elbuco worden vastgesteld;
c. Aanmaningskosten per schriftelijke of elektronische aanmaning. De aanmaningskosten worden éénmaal per jaar door Elbuco vastgesteld.
Bij niet-nakoming van de Overeenkomst komen alle door Elbuco gemaakte redelijke kosten, gemaakt in en ter verkrijging buiten rechte, voor rekening van Huurder. Bij het in rekening brengen van buitengerechtelijke incassokosten zal Elbuco de bepalingen uit het ‘Besluit vergoeding buitengerechtelijke incassokosten’ in acht nemen.
(…)
Elbuco heeft het recht de Overeenkomst onmiddellijk en zonder ingebrekestelling tussentijds te beëindigen indien Huurder:
a. Insolvent is/dreigt te worden;
(…)
Na verloop van de termijn om de Overeenkomst te ontbinden als bedoeld in artikel 2.2 heeft Elbuco bij tussentijdse beëindiging het recht Huurder de volgende extra kosten in rekening te brengen:
a. € 75,- kosten voor het ophalen van het gehuurde, ongeacht of het gehuurde feitelijk wordt teruggegeven;
b. Het restant van de huurtermijnen zoals deze aanvankelijk zijn overeengekomen, gemaximeerd tot de huurtermijnen die 12 maanden na de tussentijdse beëindiging opeisbaar zijn;
c. De vervangingswaarde van het Product, indien het Product niet binnen 2 weken na beëindiging aan Elbuco wordt teruggegeven. De vervangingswaarde wordt eenzijdig door Elbuco vastgesteld.
(…)
Wanneer Huurder het Product bij beëindiging van de Overeenkomst tegen de overeengekomen looptijd niet teruggeeft, is Huurder aan Elbuco een bedrag verschuldigd ter hoogte van de koopprijs, die geldt op het moment van beëindiging.
Ingeval Huurder aan zijn verplichtingen jegens Elbuco heeft voldaan en de Overeenkomst wordt beëindigd tegen de overeengekomen looptijd van de Overeenkomst, heeft Huurder het recht het Product te kopen. De koopprijs wordt eenzijdig door Elbuco vastgesteld.
Het eigendom van het verkochte Product gaat over op Huurder op het moment dat aan alle verplichtingen op grond van de Overeenkomst en koopovereenkomst is voldaan.
De algemene voorwaarden van eisende partij bevatten een aantal bepalingen die gelden voor het geval de consument niet tijdig betaalt. Bij de vraag of de voorwaarden op dit punt oneerlijk zijn, moet worden beoordeeld of deze bepalingen samen tot een oneerlijke uitkomst kunnen leiden (het cumulatieve effect). De algemene voorwaarden bepalen dat als de consument niet tijdig betaalt, hij in verzuim komt en wettelijke rente verschuldigd wordt. Tot zover wijken de voorwaarden niet af van wat zou gelden op grond van de wet.
De algemene voorwaarden bepalen verder dat de consument administratiekosten en aanmaningskosten per aanmaning verschuldigd wordt (waarbij zolang niet betaald wordt elke maand een aanmaning zal worden verstuurd) en dat eisende partij de hoogte van deze kosten jaarlijks zal vaststellen. Hierdoor wordt de uitkomst van de bepalingen samen oneerlijk. Deze bepalingen geven eisende partij namelijk het recht om eenzijdig kosten vast te stellen, die de consument niet verschuldigd zou zijn op grond van de wet. De consument komt hierdoor in een aanzienlijk nadeligere positie. Vervolgens staat er ook dat de consument alle redelijke incassokosten verschuldigd is en dat eisende partij zich daarbij dient te houden aan het Besluit vergoeding buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het besluit). Deze kosten lijken dus nog bovenop de administratie- en aanmaningskosten te komen. Voor zover eisende partij heeft bedoeld dat de totale incassokosten, dus inclusief de administratie- en aanmaningskosten, moeten worden berekend op grond van het besluit, zijn haar algemene voorwaarden onvoldoende duidelijk en om die reden oneerlijk. Daarbij geldt dat de bepaling over incassokosten ten nadele van de consument afwijkt van de wettelijke regeling, die van dwingend recht is, omdat geen eisen aan de aanmaning worden gesteld die moet worden gestuurd. Als wordt afgeweken van dwingend recht, levert dat oneerlijkheid op (zie ECLI:NL:HR:2023:198).
Nu het cumulatieve effect van de bepalingen tot een oneerlijke uitkomst kan leiden, moeten ze allemaal buiten toepassing worden gelaten. Eisende partij mag niet terugvallen op de wet. Dat heeft tot gevolg dat de gevorderde rente en buitengerechtelijke kosten moeten worden afgewezen.
In artikel 6.5 van de algemene voorwaarden staat ook een beding met betrekking tot kosten in rechte (proceskosten). Het beding over de kosten in rechte geeft eisende partij de mogelijkheid om alle door haar gemaakte kosten in rechte bij de consument in rekening te brengen. Dus ook de volledige kosten van bijvoorbeeld een advocaat. Dat is normaal gesproken slechts het geval wanneer sprake is van misbruik van recht of onrechtmatig handelen. Het beding is daarom oneerlijk, zoals ook door de Hoge Raad is bevestigd (ECLI:NL:HR:2025:820). Ondanks dat de Hoge Raad in het aangehaalde arrest de vraag over de gevolgen daarvan op zijn beurt heeft gesteld aan het Hof van Justitie van de Europese Unie, is de kantonrechter voornemens de proceskosten af te wijzen, gelet op artikel 6 lid 1 van Richtlijn 93/13/EG en de vaste jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie over de ‘terugvalleer’ (o.a. ECLI:EU:C:2021:68 en ECLI:EU:C:2022:971).
Verder kan eisende partij op grond van de algemene voorwaarden de overeenkomst onmiddellijk, zonder ingebrekestelling tussentijds beëindigen als de consument insolvent is of dreigt te worden. Op basis van deze bepaling kan eisende partij al bij een enkel vermoeden of bij het onbetaald laten van een zeer gering bedrag de overeenkomst eenzijdig tussentijds beëindigen (buitengerechtelijk ontbinden). Dit beding wijkt ten nadele van de consument af van de wettelijke regeling, omdat daaruit volgt dat een tekortkoming ontbinding ook moet rechtvaardigen. Daar zit een bepaalde redelijkheidstoets in, die het beding niet kent. Integendeel, op grond van het beding kan eisende partij bij iedere vorm van wanbetaling of dreiging insolvent te worden direct tot buitengerechtelijke ontbinding overgaan, ook als zo’n ontbinding met haar gevolgen, gelet op de geringe aard van de tekortkoming, niet gerechtvaardigd zou zijn. Dat maakt het beding oneerlijk.
Daarbij geldt dat eisende partij bij tussentijdse ontbinding recht heeft op € 75,00 voor het ophalen van het product, ongeacht of het daadwerkelijk wordt teruggegeven, de resterende overeengekomen huurtermijnen met een maximum van 12 maanden en de vervangingswaarde van het product als het product niet binnen twee weken wordt teruggegeven. Deze vervangingswaarde mag eisende partij bovendien eenzijdig vaststellen.
De schadevergoeding waarop eisende partij volgens haar algemene voorwaarden aanspraak kan maken kan aanzienlijk hoger uitvallen dan de schadevergoeding waarop zij recht zou hebben op grond van de wet. Het beding met betrekking tot de in rekening te brengen beëindigingsvergoeding is een boetebeding als bedoeld in artikel 6:91 BW. Als partijen geen regeling inzake de ontbindingsvergoeding hadden getroffen, dan zouden de artikelen 6:271 en 6:277 BW van toepassing zijn geweest. Het eerste artikel bepaalt dat een ontbinding partijen bevrijdt van de getroffen verbintenissen en voor zover deze reeds zijn nagekomen, ontstaat voor partijen een verbintenis tot ongedaanmaking. Toepassing van dit artikel zou ertoe hebben geleid dat gedaagde partij vanaf de datum van ontbinding zou zijn bevrijd van zijn betalingsverplichtingen. Het tweede artikel bepaalt dat de partij wier tekortkoming een grond voor ontbinding heeft opgeleverd, verplicht is haar wederpartij de schade te vergoeden die deze lijdt, doordat geen wederzijdse nakoming maar ontbinding van de overeenkomst plaatsvindt. Het zogenaamde ‘positief contractsbelang’ dient dan te worden vergoed (ECLI:NL:HR:1995:ZC1731). Dat houdt in dit geval in dat eisende partij dient te worden gebracht in de situatie waarin zij zou hebben verkeerd als de tekortkoming door gedaagde partij was uitgebleven en de leaseovereenkomst correct was nagekomen. Hierbij moet wel overeenkomstig artikel 6:100 BW het voordeel dat de ontbinding voor de wederpartij oplevert, voor zover dit redelijk is, bij de vaststelling van de te vergoeden schade in mindering worden gebracht.
Het beding met betrekking tot de gefixeerde beëindigingsvergoeding kan ondanks de begrenzing erop neerkomen dat gedaagde partij méér moet vergoeden dan het positief contractsbelang, nu gesteld noch gebleken is dat de gederfde winst van eisende partij in alle gevallen (ongeveer) gelijk is te stellen aan 12 maanden huur, althans daar niet teveel ten nadele van de consument van afwijkt. Daarbij komt dat eisende partij de vergoeding berekent aan de hand van de prijs inclusief btw, terwijl moet worden aangenomen dat haar contractbelang exclusief btw is. Voorts wordt in het beding geen rekening gehouden met het reëel te verwachten voordeel ten tijde van de sluiting van de huurovereenkomst, bestaande uit (onder meer) bespaarde kosten en de opbrengst uit een overeenkomst met een andere huurder betreffende de onderhavige goederen of de verkoop ervan (vgl. ECLI:EU:C:2021:68). Voor zover de consument de gehuurde apparatuur niet teruggeeft, zou de daadwerkelijke waarde moeten worden vergoed, niet een door eisende partij zelf vast te stellen waarde. De uitkomst van de bepalingen samen is dan ook oneerlijk.
De bedingen die als oneerlijk zijn aangemerkt, moeten buiten toepassing blijven, zodat gedaagde partij daar niet aan is gebonden. Eisende partij mag dan niet terugvallen op de wet. Dat betekent dat eisende partij niet tussentijds buitengerechtelijk had mogen ontbinden en alle schadevergoedingen ten gevolge van die ontbinding moeten worden afgewezen. Dan resteert uitsluitend de vordering met betrekking tot de onbetaald gelaten huurtermijnen van in totaal € 243,92 waarop de sanctie als bedoeld in overweging 2.11 nog op in mindering komt.
Voordat de kantonrechter de hiervoor besproken bedingen die als oneerlijk zijn aangemerkt buiten toepassing laat, mag eisende partij zich bij akte over de oneerlijkheid van die bedingen en de gevolgen van het buiten toepassing laten daarvan uitlaten.
Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.
3. De beslissing
De kantonrechter
verwijst de zaak naar de rol van donderdag 1 oktober 2026 om 10.00 uur voor akte uitlating eisende partij over het bepaalde in overweging 2.25,
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. L. van Berkum en in het openbaar uitgesproken op 3 september 2026.
991