RECHTBANK AMSTERDAM
Civiel recht
Kantonrechter
Zaaknummer: 12331981 \ CV EXPL 26-9790
Vonnis van 17 september 2026
in de zaak van
de besloten vennootschap
BOL.COM B.V.,
gevestigd te Utrecht,
eisende partij,
gemachtigde: Flanderijn & Van Eck Gerechtsdeurwaarders,
tegen
[gedaagde], voorheen handelend onder de naam [bedrijf],
wonende te [woonplaats],
gedaagde partij,
niet verschenen.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 22 juli 2026, met producties,
- het tegen gedaagde partij verleende verstek.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2. De beoordeling
Nu gedaagde partij een natuurlijk persoon is moet ambtshalve worden beoordeeld of het consumentenrecht van toepassing is.
Eisende partij stelt in de dagvaarding dat de overeenkomsten die in deze procedure centraal staan online zijn gesloten tussen haar en gedaagde partij, die handelde in de uitoefening van zijn beroep of bedrijf.
Geoordeeld wordt dat eisende partij onvoldoende heeft toegelicht dat gedaagde partij bij het aangaan van de afzonderlijke overeenkomsten handelde voor doeleinden die binnen zijn bedrijfs- of beroepsactiviteiten vallen zodat niet uitgesloten kan worden dat gedaagde partij als consument handelde. Uit de facturen met daarop de specificatie van de aankopen, kan zonder nadere toelichting, die niet is gegeven, niet worden vastgesteld dat de aankopen binnen de bedrijfs- of beroepsactiviteiten van gedaagde partij vallen. De bedrijfsactiviteiten van gedaagde partij zijn bovendien niet uit de naam van de onderneming op te maken en een uittreksel van het handelsregister is niet overgelegd.
De omstandigheid dat iemand een onderneming drijft, dan wel de keuze maakt voor het bestellen van goederen via een zakelijk account, is niet allesbepalend voor de vraag of diegene al dan niet als consument is aan te merken. Het begrip consument is een objectief begrip. Van belang is met welk doel de overeenkomst is aangegaan, wat met name moet worden afgeleid uit de aard van de goederen of diensten waarop de betrokken overeenkomst betrekking heeft (HvJEU 3 september 2015, C-110/14, ECLI:EU:C:2015:538 (Costea)).
Eisende partij wordt in de gelegenheid gesteld om in het licht van het voorgaande haar stelling dat gedaagde partij de goederen heeft gekocht terwijl hij handelde in de uitoefening van zijn bedrijf en niet als consument nader te onderbouwen.
Voor het geval eisende partij niet in staat is om de gevraagde nadere onderbouwing te geven of de onderbouwing niet volstaat, moet gedaagde partij als consument worden aangemerkt. In dat geval komt gedaagde partij consumentenbescherming toe.
Eisende partij wordt daarom ook in de gelegenheid gesteld om voor die situatie gemotiveerd te stellen dat de informatieplichten jegens gedaagde partij zijn nageleefd. Die stellingen moeten worden gesubstantieerd. Daarnaast dient eisende partij in dat geval de op de overeenkomsten van toepassing verklaarde algemene voorwaarden in het geding te brengen. Naast het overleggen van de algemene voorwaarden die op de overeenkomsten van toepassing zijn verklaard, dient eisende partij de bedingen te noemen die aan de vordering ten grondslag zijn of kunnen worden gelegd en een standpunt in te nemen over de (on)eerlijkheid van die bedingen.
De zaak wordt voor akte uitlating eisende partij verwezen naar de rol.
Voornoemde toelichting onder 2.5. dient bij dagvaardingen betekend vanaf
1 december 2026 standaard in de tekst van de dagvaarding te staan, bij gebreke waarvan de
vordering kan worden afgewezen vanwege het niet volledig voldoen aan de stelplicht
(artikel 21 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering).
Eisende partij dient de akte tenminste twee weken voor de hierna te bepalen rolzitting ook aan gedaagde partij te sturen, met de mededeling dat gedaagde partij op die rolzitting daarop mag reageren dan wel uitstel kan vragen en hoe en wanneer gedaagde partij uiterlijk moet reageren. Eisende partij wordt in dat kader verzocht om naast de akte ook de mededeling/brief aan gedaagde partij in het geding te brengen. Wanneer niet kan worden vastgesteld dat de akte tijdig en/of met de juiste mededeling aan gedaagde partij is toegestuurd, wordt deze in beginsel buiten beschouwing gelaten.
Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.
3. De beslissing
De kantonrechter
verwijst de zaak naar de rol van donderdag 15 oktober 2026 om 10.00 uur voor het nemen van een akte door eisende partij zoals bepaald in overwegingen 2.5 en 2.7,
bepaalt dat eisende partij aan gedaagde partij moet toesturen, overeenkomstig het bepaalde in overweging 2.10,
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. E. Pennink en in het openbaar uitgesproken op
17 september 2026.
45