ECLI:NL:RBAMS:2026:9386

ECLI:NL:RBAMS:2026:9386

Instantie Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak 09-09-2026
Datum publicatie 22-09-2026
Zaaknummer C/13/774163 / HA ZA 25-1395
Rechtsgebied Civiel recht; Verbintenissenrecht
Procedure Bodemzaak
Zittingsplaats Amsterdam

Samenvatting

Geschil tussen ex-partners. Vordering artikel 3:172 BW en ongerechtvaardigde verrijking. Beleggingsleer. Eigenaarslasten worden tegen elkaar weggestreept.

Uitspraak

RECHTBANK Amsterdam

Civiel recht

Zaaknummer: C/13/774163 / HA ZA 25-1395

Vonnis van 9 september 2026

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [woonplaats 1] ,

eisende partij in conventie,

verwerende partij in reconventie,

hierna te noemen: de man,

advocaat: mr. R.P.M. Duijndam,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats 2] ,

gedaagde partij in conventie,

eisende partij in reconventie,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. J.C. Rijnierse.

1. De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:- de dagvaarding van 1 augustus 2025, met producties,- de conclusie van antwoord, tevens eis in reconventie, met producties, - de conclusie van antwoord in reconventie, tevens voorwaardelijke vermeerdering van eis, van 24 december 2025, met producties, - het tussenvonnis van 11 februari 2026, waarbij een mondelinge behandeling is bepaald,- het rolbericht van 13 mei 2026, van mr. J.I. Dierkx, waarbij hij zich onttrekt als advocaat van de vrouw,

- Het B2 formulier waarbij mr. Rijnierse voornoemd zich heeft gesteld als advocaat voor de vrouw,

- het tussenvonnis van 24 juni 2026, waarbij een mondelinge behandeling is bepaald.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

Partijen hebben tussen 2020 en 2022 een affectieve relatie gehad.

De man woonde aan het begin van de relatie in zijn woning in [plaats 1] en de vrouw in haar woning in [plaats 2] aan [adres 1] (hierna: [adres 1] ).

Partijen hebben via WhatsApp-gesprekken onder andere het volgende naar elkaar gestuurd:

“23-01-20 18:00 – [gedaagde] : Mijn grootste probleem is dat ik iets wil ebbdaar constant 30:000,00 euro voor tekort kom (…) 29-01-20 11:02 – [gedaagde] : Beetje rare vraag maar hoeveel spaargeld had jij ook alweer? (…) 29-01-20 11:11 – [gedaagde] : Jij wil verbouwen ik wil verbouwen (…) 29-01-20 11:12 – [gedaagde] : Stop dat geld bij elkaar en misschien kunnen we samen iets interessants kopen 29-01-20 11:13 – [gedaagde] : En kijken wat de markt doet 29-01-20 11:13 – [eiser] : Goed idee

(…) 30-09-20 19:42 – [gedaagde] : Ik denk dat jou investering beter in [plaats 2] groeit 30-09-20 19:42 – [eiser] : Je hebt me overtuigd 30-09-20 19:44 – [eiser] : Huizenprijzen.stijgen door is verwachting 30-09-20 19:45 – [gedaagde] : Investering 30-09-20 19:46 – [gedaagde] : Gelijk de woning 30-09-20 19:46 – [gedaagde] : Meer waard (…) 30-09-20 19:47 – [gedaagde] : Maar we gaan de kosten delen

07-12-20 09:57 – [gedaagde] : (…) waarom als je toch wil samenwonen niet gelijk nu alles goed verbouwen. Samen hebben wij dat nu cash. Ja Het is niet jouw huis en je steekt er een smak geld erin. Dat klopt maar aan de andere kant stop je geld in een goeie stabiele vastgoed. Je kunt b.v dit vaststellen bij een notaris met een clausule erin dat je dit na 10 jaar contant uit betaald wilt hebben inclusief een percentage van de overwaarde van het huis.

(…)

16-12-20 13:08 – [eiser] : Laten we een lijstje maken van vragen, en dingen die we moeten regelen (data, planning, rollen/stakeholders, testament, voorwaarden, verkoop B20)

(…) [05-02-2022, 08:49:28] [gedaagde] : En ik dacht oké we hebben 22:000,00 als depo voor de verbouw van [locatie] dus dan kunnen we die beter steken in 10 vierkante meter meer zodat we daarmee [adres 1] kunnen verkopen met meer winst en dat steken we dan weer gedeeltelijk in [adres 2] .

[16-03-2022, 08:21:36] [gedaagde] : Ik heb een verdeling voorstel voor als de [adres 1] verkocht wordt in de Dropbox. In de Map verkoop [adres 1] .

[16-03-2022, 10:34:11] [eiser] : Hoe zie je de verdeling als [adres 1] voor 580 wordt verkocht?

[16-03-2022, 10:37:12] [eiser] : Of 560? (48+10+12,5)*8.000=564.000

[16-03-2022, 11:25:521 [gedaagde] : Vanaf 620 is realistisch daaronder niet. Het is niet iets wat vaststaat. Maar het is wel belangrijk dat er gekeken/gepraat wordt. ie kunt ook zeggen hoe jij daarover denk of hoe jij het ziet?

[16-03-2022, 17:57:46] [eiser] : Laten we er samen naar kijken, hoor ik ook je ideeën erbij.”

De man is op een bepaald moment bij de vrouw aan de [adres 1] gaan inwonen.

Partijen hebben op 17 november 2021 het appartementsrecht aan de [adres 2] in [plaats 2] (hierna: [adres 2] ) geleverd gekregen. Tegelijkertijd met de levering van de [adres 2] heeft de man zijn woning in [plaats 1] verkocht.

De man heeft in de periode november 2021 t/m 28 augustus 2022 alle gebruikers- en eigenaarslasten betaald voor de [adres 2] . Geen van partijen heeft in die periode in de [adres 2] gewoond.

De relatie is op 28 augustus 2022 beëindigd.

De man heeft van 28 augustus 2022 tot april 2023 in de [adres 2] gewoond.

De [adres 1] is verkocht voor een bedrag van € 635.000,- en op 18 maart 2024 geleverd. Daarna is de vrouw in de [adres 2] gaan wonen waar zij tot op heden nog steeds woont.

Op 3 oktober 2024 is bij deze rechtbank een vonnis in kort geding gewezen tussen partijen (C/13/751884 / KG ZA 24-485 MDvH/MvG) waarbij de vrouw – kort gezegd – is veroordeeld om mee te werken aan de verkoop van de [adres 2] .

De [adres 2] staat op het moment van de mondelinge behandeling nog te koop.

Op 29 januari 2025 heeft er bij deze rechtbank een tweede procedure plaatsgevonden tussen partijen. Partijen zijn tijdens de mondelinge behandeling afspraken overeengekomen over – kort gezegd – de verdeling van de spullen aan de [adres 2] .

Op 9 april 2025 heeft er een derde procedure plaatsgevonden tussen partijen. Ook hier hebben partijen afspraken gemaakt. In het proces-verbaal daarover staat:

“Na verkoop van de woning aan de [adres 2] te [plaats 2] zal van de netto-verkoopopbrengst € 75.000,- in depot worden gehouden bij de notaris. Het restant van de netto-verkoopopbrengst zal aan partijen worden uitgekeerd pro rata aan hun erkende aandeel daarin van € 517.000,- voor mevrouw en € 197.000,- voor meneer.”

3. Het geschil

in conventie

De man vordert - samengevat – voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

1. een verklaring voor recht dat bij de verkoop en levering van de [adres 2] aan een derde de man uit de netto overwaarde eerst € 7.873,- ontvangt, waarna het restant van de netto-verkoopopbrengst aan partijen zal worden uitgekeerd pro rata hun erkende aandeel daarin van € 517.000,- voor de vrouw en € 197.500,- voor de man;

2. de vrouw primair te veroordelen tot betaling van € 66.573,- aan de man te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf datum van dagvaarding, dan wel subsidiair te veroordelen tot betaling van € 39.839,- te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van dagvaarding;

3. de vrouw te veroordelen in de proceskosten.

Voorwaardelijke vermeerdering van eis

Voor zover de reconventionele vordering van de vrouw ter zake van de nog te betalen eigenaarslasten van de woning wordt toegewezen vordert de man:

4. de vrouw te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 10.000,- aan de man,

5. alsmede de vrouw te veroordelen om aan de man te voldoen een gebruiksvergoeding voor het gebruik van de onverdeelde helft van de hem in mede-eigendom toebehorende woning gelegen aan de [adres 2] ter hoogte van primair de helft van de eigenaarslasten en subsidiair een in goede justitie vast te stellen gebruiksvergoeding, plus wettelijke rente.

De man legt hieraan ten grondslag dat hij van november 2021 tot en met 28 augustus 2022 alle gebruikers- en eigenaarslasten voor de [adres 2] voor zijn rekening heeft genomen, terwijl daar niemand woonde. Het gaat daarbij om een totaalbedrag van € 15.746,- opgebouwd uit belasting, energie, erfpacht, hypotheek, KPN en VvE kosten. Omdat partijen samen eigenaar zijn van de [adres 2] heeft de man een vordering op grond van artikel 3:172 BW op de vrouw van € 7.873,- zijnde 50% van € 15.746,-,.

De man legt aan de vordering onder 2. ten grondslag dat hij een bedrag van € 39.829,- in de [adres 1] geïnvesteerd heeft. Het gaat daarbij onder andere om een tuinstudio, een uitbouw en bouwkosten. Partijen hebben afgesproken dat de man geld zou investeren in de [adres 1] en mee zou profiteren van het rendement dat die investering zou opleveren. Primair beroept de man zich op deze afspraak en subsidiair op ongerechtvaardigde verrijking, dan wel de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid.

De vrouw voert verweer. De vrouw concludeert tot niet-ontvankelijkheid van de man, dan wel tot afwijzing van de vorderingen van de man, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van de man in de kosten van deze procedure.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

in reconventie

De vrouw vordert - samengevat – zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

1. de man te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 26.286,91 aan de vrouw, waarbij de man tevens zal worden veroordeeld om de helft van de door de vrouw nog te betalen (thans oplopende) eigenaarslasten vanaf heden tot aan het moment waarop de woning zal zijn verkocht en geleverd aan een derde, aan haar terug te betalen;

2. een verklaring voor recht dat de man een bedrag van € 186.689,94 vanuit zijn privévermogen heeft geïnvesteerd in de gezamenlijke woning,

3. vergoeding van de proceskosten plus de wettelijke rente daarover.

De vrouw legt hieraan primair het volgende ten grondslag. Vanaf 4 maart 2024 tot heden heeft zij alles betaald voor de [adres 2] , terwijl de man ook zijn deel dient te betalen en dat heeft hij niet gedaan. Het gaat daarbij om een bedrag van € 52.573,82 / 2 =

€ 26.286,-.

De man voert verweer. De man concludeert tot niet-ontvankelijkheid van de vrouw, dan wel tot afwijzing van de vorderingen van de vrouw, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van de vrouw in de kosten van deze procedure.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4. De beoordeling

De rechtbank wijst de vorderingen in conventie grotendeels toe. De vorderingen in reconventie worden geheel afgewezen.

in conventie

Niet-ontvankelijkheidsverweer slaagt niet

De vrouw voert als meest verstrekkende verweer aan dat de man niet-ontvankelijk moet worden verklaard, omdat hij zijn vorderingen onvoldoende heeft onderbouwd. De rechtbank verwerpt dit verweer, omdat - zoals uit de overwegingen hierna volgt - de man zijn vorderingen grotendeels voldoende heeft onderbouwd.

Vordering 2. € 66.573,- subsidiair € 39.839,- ten aanzien van de [adres 1]

De man stelt dat hij € 39.839,- heeft geïnvesteerd in de [adres 1] . Partijen zouden daarbij hebben afgesproken dat de man bij de verkoop van de [adres 1] zou profiteren van het rendement van zijn investering, door mee te delen in de waardestijging van de woning.

De vrouw betwist deze afspraken en stelt dat er sprake is geweest van een schenking.

Ter onderbouwing van zijn stelling heeft de man WhatsApp-gesprekken overgelegd tussen hem en de vrouw. Uit het verloop van deze gesprekken blijkt dat de vrouw geld wil voor ‘een verbouwing’ (zie 2.3). De vrouw heeft aangegeven dat zij € 30.000,- tekortkomt en spreekt over ‘een investering die beter in [plaats 2] groeit’. Op 5 februari 2022 WhatsAppt de vrouw de man: “dan kunnen we die beter steken in 10 vierkante meter meer zodat we daarmee [adres 1] kunnen verkopen met meer winst en dat steken we dan weer gedeeltelijk in [adres 2] ” en op 16 maart 2022: “Ik heb een verdeling voorstel voor als de [adres 1] verkocht wordt in de Dropbox.”. Op vragen hierover tijdens de mondelinge behandeling heeft de vrouw verklaard dat deze Whatsapp-gesprekken niet zagen op de [adres 1] , maar op de woning die zij samen hebben gekocht, de [adres 2] . Ten aanzien van het bericht van 5 februari 2022 heeft de vrouw gezegd dat er destijds enkel gesproken is om geld in de [adres 1] te steken, maar dat dit uiteindelijk nooit gebeurd is. Het gesprek zou volgens de vrouw over het verbeteren van de vloer gaan en ook dat is nooit gebeurd.

De rechtbank is van oordeel dat partijen met elkaar hebben afgesproken dat de man zou investeren in de [adres 1] en dat hij vervolgens zou meeprofiteren van eventuele overwaarde die met deze investering kon worden bereikt. Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit de inhoud van de WhatsApp-gesprekken dat deze over de [adres 1] gaan en niet over de [adres 2] , zoals de vrouw beweert. In het bericht van 5 februari 2022 wordt er bijvoorbeeld gesproken over ‘10 vierkante meter’, een maat die overeenkomt met de maat van de uitbouw aan de [adres 1] . Daarbij wordt expliciet gesproken over ‘ [adres 1] ’, hetgeen gezien de correspondentie tussen partijen niets anders betekent dan de [adres 1] en bovendien spreekt de vrouw over ‘meer winst’ dat zij dan weer ‘gedeeltelijk in [adres 2] ’ steken. Ook voldoende duidelijk is dat met ‘ [adres 2] ’ de [adres 2] wordt bedoeld, de gezamenlijke woning van partijen. Tevens heeft de vrouw een “verdeling voorstel voor als de [adres 1] [wordt] verkocht” geplaatst in de Dropbox in de map “verkoop [adres 1] ”. De man heeft verklaard dat de vrouw de inhoud van deze map heeft verwijderd, zodat het niet meer duidelijk is wat partijen precies hebben afgesproken met betrekking tot de verdeling. Op de vraag wat er in die map stond heeft de vrouw tijdens de mondelinge behandeling geantwoord dat zij dat niet meer weet en dat dit waarschijnlijk gaat over het vermogensverschil tussen haar en de man. Dit is een standpunt dat voor het eerst is ingenomen tijdens de mondelinge behandeling en verder niet is onderbouwd. Bovendien lijkt het WhatsApp-bericht – dat komt na het WhatsApp-bericht over het verdelingsvoorstel – met de berekening “(48+10+12,5)*8000=564.000” te zien op een vermenigvuldiging van het aantal vierkante meters x een fictieve vierkante meter prijs van € 8.000,-, wat goed aansluit bij de uitleg die de man aan de berichten geeft en niet goed valt te rijmen met de uitleg van de vrouw dat het over een vermogensverschil tussen haar en de man gaat.

Vast staat dus dat partijen met elkaar hebben afgesproken dat de man zou meedelen in de overwaarde van de [adres 1] . Nu niet duidelijk is geworden of partijen al tot overeenstemming waren gekomen over de wijze van verdelen van de overwaarde van de [adres 1] en wat deze overeenstemming dan inhield, zal de rechtbank bij de berekening van het vergoedingsrecht aansluiting zoeken bij de beleggingsleer. De toepassing daarvan is opgenomen in 4.18.

Nu vaststaat dat partijen hebben afgesproken dat de man zou investeren in de [adres 1] , wordt niet meer toegekomen aan het verweer van de vrouw dat het geld een schenking was. Tevens wordt niet toegekomen aan het subsidiaire verweer van de vrouw dat de verbouwing aan de [adres 1] niet noodzakelijk was, omdat er niet wordt toegekomen aan de door de man subsidiaire aangevoerde grondslag van ongerechtvaardigde verrijking.

De volgende stap is het vaststellen van de hoogte van het bedrag dat de man in de [adres 1] heeft geïnvesteerd. De man stelt dat dit een bedrag is geweest van € 39.839,- en heeft daarvoor verschillende posten opgevoerd. Het gaat daarbij om een tuinstudio (€ 7.200,-), vloerverwarming (€ 1.040,-), een tuindeur (€ 4.662,-) een uitbouw van 10 m² (€ 13.547,-) en bouwkosten (€ 5.681,- en € 7.709,-).

Tuinstudio € 7.200,-, tuindeur € 4.662,- en vloerverwarming € 1.040,-

De man heeft ten aanzien van zijn investering in de tuinstudio twee bankafschriften overgelegd. Een van 14 juni 2021 voor een bedrag van € 6.000,- naar ‘ [gedaagde] ’ met de omschrijving ‘Voorschot Tuinstudio’ en een van 22 september 2021 voor een bedrag van € 1.200,- naar ‘ [gedaagde] ’ met omschrijving ‘Tuinstudio’. De vrouw heeft erkend dat de man dit geld voor de tuinstudio aan haar heeft overgemaakt. De vrouw stelt echter dat zij het geld niet heeft gebruikt en dat zij dit bedrag in gedeeltes aan de man heeft terugbetaald. De man betwist dat. Op de vrouw rust de stelplicht en bewijslast van haar stelling dat zij het geld voor de tuinstudio reeds heeft terugbetaald. Zij heeft dit echter, mede gelet op de betwisting van de man, onvoldoende gedaan, zodat niet is komen vast te staan dat zij dit geld heeft terugbetaald. Dit betekent dat de post van € 7.200,- zal worden toegewezen.

De vrouw heeft erkend dat de man de bedragen van € 1.040,- voor de vloerverwarming en € 4.662,- voor de tuindeur heeft betaald. Ook deze bedragen zullen worden toegewezen.

Uitbouw van 10 m² € 13.547,-

De man stelt dat hij een bedrag van € 13.547,- heeft betaald voor een uitbouw van 10 m² aan de [adres 1] . Deze uitbouw zou destijds zijn gedaan door een bekende van de vrouw, [naam] . [naam] heeft volgens de man al eerder verbouwingen aan de [adres 1] gedaan. De man heeft ter onderbouwing van zijn stelling een foto van een handgeschreven formulier overgelegd in een WhatsApp-gesprek met ‘ [naam] ’ en bankafschriften waaruit contante opnames blijken. Op het handgeschreven formulier staat een bedrag van € 13.546,62 en de opbouw daarnaartoe. In de opbouw is een urenregistratie opgenomen van in totaal vier personen die zouden hebben gewerkt aan de uitbouw, een bedrag met daarbij het woord ‘BON’, transportkosten en parkeerkosten. Alles bij elkaar opgeteld komt dat uit op € 13.546,62. In het WhatsApp-gesprek behorend bij de foto schrijft [naam] ‘Hi tot morgen kan afrekenen’. Hierop heeft de man gereageerd met “Hi [naam] , dank je wel. Wat is BON?”. Op 27 november 2021 schrijft de man naar [naam] : Hi [naam] , wij zijn nu op [locatie] , kom je daar ook naar toe? en “Hi [naam] , we hebben geld gepind. Waar zullen we je betalen?”. De man heeft daarbij drie bankafschriften overgelegd. Twee van ieder € 5.000,- van datum 27 november 2021 en een van 28 november 2021 voor een bedrag van € 3.550,-. De man heeft over deze bedragen verklaard dat hij niet in één keer het gehele bedrag kon opnemen, vanwege zijn banklimiet. Vandaar dat het in drie opnames moest.

De vrouw betwist dat de uitbouw door een bekende genaamd [naam] is gemaakt. Bovendien zegt zij geen [naam] te kennen. De vrouw heeft ter onderbouwing van haar betwisting een offerte en facturen van Groter Wonen overgelegd. Groter Wonen zou naast het tuinhuis ook de uitbouw hebben gemaakt, zodat [naam] het niet meer gemaakt kan hebben. De vrouw verwijst daarvoor naar de volgende zinsnede uit de offerte van Groter Wonen van 16 november 2020: “Tuinhuis, Basis prijs, Tweede deel, Onze basisprijs voor een 2e deel bijgebouw is 12,5 m2 – in dit geval van 5 x 5 = 25 m2 inclusief fundering standaard gevel afwerking en 2 delige schuifpui.” Ook heeft de vrouw bankschriften overgelegd. Uit de bankafschriften valt op te maken dat de vrouw in december 2020 in totaal een bedrag van € 58.540,81 heeft betaald aan Groter Wonen. De vrouw voert aan dat hieruit volgt dat zij voor zowel het tuinhuis als de uitbouw heeft betaald, zodat de man niet voor de uitbouw betaald kan hebben.

De rechtbank volgt het standpunt van de man dat uit de opsomming van werkzaamheden in de offerte van Groter Wonen niet blijkt dat er ook werkzaamheden zouden worden verricht voor een uitbouw van 10 m². In de offerte wordt immers duidelijk benoemd dat de werkzaamheden een ‘Tuinhuis’ betreffen. Zo staat bovenaan de offerte van 16 november 2020 onder “Project Informatie” benoemd dat de offerte over een tuinhuis gaat (“Type: Tuinhuis”). Tussen partijen is niet in geschil dat er in de tuin van de [adres 1] destijds een tuinhuis is gebouwd met een formaat van 25 m². Een formaat dat overeenkomt met de maat in de offerte van Groter Wonen. Daarmee staat vast dat de werkzaamheden van Groter Wonen alleen op het tuinhuis en niet ook op de uitbouw hebben gezien. Ook staat vast dat er destijds naast het tuinhuis ook een uitbouw is gerealiseerd. De man heeft voldoende onderbouwd gesteld dat hij daarvoor een bedrag van € 13.547,- heeft betaald. Dit bedrag wordt toegewezen.

Bouwkosten € 5.681,- en € 7.709,-

De man heeft ter onderbouwing van zijn stelling dat hij bouwkosten heeft gemaakt ten behoeve van de [adres 1] betalingsafschriften ter hoogte van € 5.681,29 overgelegd met betalingen vanaf de en/of rekening van de man en de vrouw en betalingsafschriften ter hoogte van € 7.709,65 vanaf zijn privérekening. Over deze bedragen heeft de man verklaard dat [naam] de pinpas van de man meekreeg zodat hij materialen kon kopen bij de bouwmarkt. Ook kluste de man zelf in de [adres 1] waarvoor hij bouwmaterialen bij de bouwmarkt kocht. [naam] heeft de uitbouw gebouwd, maar de man heeft de uitbouw zelf afgetimmerd en de elektriciteit aangesloten.

De vrouw heeft betwist dat de gevorderde kosten aan bouwmaterialen zien op de [adres 1] . Volgens de vrouw heeft de man de bouwmaterialen voor zijn eigen woning in [plaats 1] gekocht die hij op 14 augustus 2021 verkoopklaar moest maken. Bovendien heeft hij veel bouwmaterialen gekocht voor de [adres 2] , maar niet voor de [adres 1] .

De rechtbank gaat voorbij aan de stelling van de vrouw dat de man de bouwkosten heeft gemaakt om zijn eigen woning verkoopklaar te maken. Het merendeel van de gevorderde kosten zijn gemaakt nadat de man zijn eigen woning reeds had verkocht (gelijktijdig met de levering van de [adres 2] ) en bovendien zijn de kosten gemaakt in bouwmarkten in [plaats 2] , zodat het niet voor de hand ligt dat de man deze uitgaves heeft gedaan voor zijn woning in [plaats 1] . De rechtbank volgt de vrouw wel in haar verweer dat niet kan worden vastgesteld of de bouwkosten die de man heeft gemaakt ten behoeve van de [adres 1] of de [adres 2] heeft gemaakt, omdat de man tijdens de mondelinge behandeling ook heeft verklaard dat hij zelf veel op de [adres 2] heeft geklust. Volgens de man zijn de kosten van de [adres 2] al verrekend in de kort geding procedure, maar dit is niet voldoende duidelijk gebleken. Dit betekent dat de rechtbank de gevorderde bouwkosten enkel zal toewijzen tot 27 oktober 2021, de dag dat de [adres 2] is geleverd, omdat daarna niet meer is vast te stellen of de kosten voor de [adres 2] of de [adres 1] zijn gemaakt. Dat betekent dat een bedrag van € 3.278,59 aan bouwkosten wordt toegewezen.

Conclusie

In totaal komt het toegewezen bedrag daarmee uit op € 29.727,59 (7.200,- + 1.040,- + 4.664,- + 13.547,- + 3.278,59,-).

In 4.6 is bepaald dat de investering van de man moet worden berekend aan de hand van de beleggingsleer. Het gaat daarbij om de formule: investering van de man / aankoopbedrag van de [adres 1] x verkoopbedrag [adres 1] . Daarmee wordt uitgekomen op een totaal toe te wijzen bedrag van € 49.676,36 (29.727,59 / 380.000 x 635.000).

Vordering 1. ten aanzien [adres 2]

De man stelt dat er in de periode van november 2021 tot en met 28 augustus 2022 niemand in de [adres 2] woonde maar dat hij wel alle gebruikers- en eigenaarslasten heeft betaald. De vrouw heeft dit tijdens de mondelinge behandeling erkend. Dit betekent dat de man op grond van artikel 3:172 BW een regresvordering heeft op de vrouw voor een bedrag van € 7.873,- en dat de vordering in conventie onder 1 voor toewijzing gereed ligt.

Conclusie in conventie wat betreft vordering 1. en 2.

De vordering onder 1. in conventie wordt geheel toegewezen. De vordering onder 2. in conventie wordt toegewezen voor een bedrag van € 49.676,36.

in reconventie en in voorwaardelijke conventie

Vanwege de nauwe samenhang zullen de vordering in reconventie en de voorwaardelijke vordering in conventie tegelijk worden behandeld.

Niet-ontvankelijkheidsverweer slaagt niet

De man stelt dat de vrouw haar substantiëringsplicht, danwel waarheidsplicht heeft geschonden doordat de producties van haar vordering in reconventie niet of te laat zijn ingediend bij de rechtbank. Als gevolg daarvan dient de vrouw niet-ontvankelijk te worden verklaard in haar vordering, aldus de man.

De advocaat van de man heeft in de conclusie van antwoord in reconventie, die op de rolzitting van 24 december 2025 is ingediend, het volgende geschreven: “De conclusie van antwoord tevens houdende eis in reconventie dateert van 1 oktober 2025. Bij dit processtuk is een productielijst gevoegd met verwijzing naar maar liefst 30 producties. Op het moment van het schrijven van deze conclusie van antwoord in reconventie zijn deze producties niet bij Uw rechtbank ingediend. Begrijpelijkerwijs heeft de man gezien het tijdsverloop reeds om uitstel verzocht nu hij niet weet welke producties de vrouw in de procedure gaat brengen. De vrouw heeft zelfs na het uitstel van de man de producties nog niet in de procedure gebracht.”

Uit e-mailverkeer dat voorafgaand aan de mondelinge behandeling tussen de (griffier van de) rechtbank en de advocaten van de man en de vrouw heeft plaatsgevonden en uit de verklaringen tijdens de mondelinge behandeling volgt dat de advocaat van de man de producties van de vrouw wel reeds in november 2025 van de (voormalig) advocaat van de vrouw heeft ontvangen, maar dat deze verstrekking onder het voorbehoud was dat de vrouw goedkeuring aan haar (voormalig) advocaat zou geven om de producties bij de rechtbank in te dienen. De advocaat van de man heeft de bevestiging dat deze goedkeuring was gegeven en dat de producties die eerder door hem zijn ontvangen dezelfde producties zijn als bij de rechtbank zijn ingediend, twee weken voor het indienen van zijn conclusie van antwoord in reconventie ontvangen. De advocaat van de man heeft aangegeven dat hij de producties wel met de man heeft kunnen bespreken, maar dat hij door deze gang van zaken is belemmerd.

De rechtbank overweegt dat beiden partijen in beginsel gehouden zijn om producties gelijktijdig met de processtukken in te dienen. Er is door de vrouw geen reden naar voren gebracht waarom dat in dit geval niet is gebeurd. Het voert echter te ver om de vrouw om die reden niet-ontvankelijk te verklaren in haar vordering, omdat is gebleken dat de producties wel voorafgaand aan de conclusie van antwoord in reconventie zijn verstrekt. Met andere woorden is de man door het handelen van (de voormalig advocaat van) de vrouw niet in zijn processuele belangen geschaad.

Eigenaarslasten worden tegen elkaar weggestreept

De vrouw vordert een bedrag van € 26.286,91,- voor de periode vanaf 4 maart 2024 tot heden waarin zij alleen in de [adres 2] woonde en alle kosten van de [adres 2] heeft betaald. De man vordert – onder voorwaarde dat de vordering van de vrouw wordt toegewezen – op zijn beurt een bedrag van € 10.000,- voor de periode van 28 augustus 2022 tot april 2023 dat hij alleen in de [adres 2] verbleef en alle kosten van de [adres 2] heeft betaald.

Ingevolge artikel 3:172 BW delen de deelgenoten naar evenredigheid van hun aandelen in de vruchten en andere voordelen die het gemeenschappelijke goed oplevert, en moeten zij in dezelfde evenredigheid bijdragen tot de uitgaven die voortvloeien uit handelingen welke bevoegdelijk ten behoeve van de gemeenschap zijn verricht, tenzij een regeling anders bepaalt. De deelgenoot die het goed met uitsluiting van de andere deelgenoot gebruikt moet die andere deelgenoot, die aldus verstoken is gebleven van het gebruik en genot, schadeloos stellen, bijvoorbeeld door het betalen van een gebruiksvergoeding. Daarbij dienen de redelijkheid en de billijkheid die de rechtsbetrekkingen tussen deelgenoten beheersen (artikel 3:166 lid 3 BW) tot maatstaf.

Niet in geschil is dat de man en de vrouw bovengenoemde bedragen hebben betaald en dat deze bedragen zien op de lasten van de [adres 2] ten aanzien van de door hen gestelde perioden. De rechtbank acht het in dit geval redelijk om de door de man aan de vrouw te vergoeden bijdrage in de hypothecaire en eigenaarslasten weg te strepen tegen de door de vrouw aan de man (in beginsel) te betalen gebruikersvergoeding zodat zij over en weer in dit kader niets meer van elkaar te vorderen hebben. Dit betekent dat de vordering in reconventie onder 1. wordt afgewezen. Daarmee is tevens niet aan de voorwaarde voor de eisvermeerdering van de vordering in conventie voldaan, zodat deze niet meer hoeft te worden behandeld.

Geen verklaring voor recht

De vrouw vordert een verklaring voor recht dat de man een bedrag van € 186.689,94 vanuit zijn privévermogen heeft geïnvesteerd in de [adres 2] en niet een bedrag van € 197.690,-.

De rechtbank wijst deze vordering af en motiveert dat als volgt. Medio april 2025 heeft de vrouw de man gedagvaard in een kort gedingprocedure. In deze procedure heeft de vrouw onder andere gevorderd dat na verkoop van de [adres 2] aan de man een bedrag van € 197.690,- zal worden uitgekeerd. Partijen hebben tijdens die mondelinge behandeling een minnelijke regeling getroffen waarin staat dat: “Na verkoop van de woning (…) aan partijen [zal] worden uitgekeerd pro rata aan hun erkende aandeel daarin van (…) € 197.500,- voor meneer”. De rechtbank ziet geen reden om af te wijken van hetgeen partijen zelf zijn overeengekomen. De vrouw heeft tijdens de mondelinge behandeling nog aangevoerd dat deze minnelijke regeling op grond van dwaling moet worden vernietigd, maar daarvoor is onvoldoende gesteld, zodat de rechtbank hieraan voorbij gaat. Dit betekent dat de vordering in reconventie onder 2. wordt afgewezen.

Proceskostenvergoeding

Partijen zijn gewezen samenwoners, zodat de rechtbank de kosten tussen hen zal compenseren.

De wettelijke rente zal worden toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

5. De beslissing

De rechtbank

in conventie

verklaart voor recht dat bij verkoop en levering van de [adres 2] aan een derde de man uit de netto overwaarde eerst € 7.873,- ontvangt, waarna het restant van de netto-verkoopopbrengst aan partijen zal worden uitgekeerd pro rata hun erkende aandeel daarin van € 517.000,- voor de vrouw en € 197.500,- voor de man,

veroordeelt de vrouw tot betaling van € 49.676,36,- aan de man, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van dagvaarding tot de dag der voldoening,

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

wijst het meer of anders gevorderde af,

compenseert de proceskosten, zo dat iedere partij haar eigen kosten draagt,

in reconventie

wijst de vorderingen van de vrouw af,

compenseert de proceskosten, zo dat iedere partij haar eigen kosten draagt,

Dit vonnis is gewezen door mr. A.C.J. Klaver, rechter, bijgestaan door mr. S.C.C. Valk, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 9 september 2026.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. A.C.J. Klaver

Griffier

  • mr. S.C.C. Valk

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand