ECLI:NL:RBAMS:2026:9352

ECLI:NL:RBAMS:2026:9352

Instantie Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak 22-09-2026
Datum publicatie 18-09-2026
Zaaknummer 13.265709.25 en 13.002078.26 (ter terechtzitting gevoegd)
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Amsterdam

Samenvatting

Een 32-jarige man is veroordeeld tot 18 maanden gevangenisstraf en tbs met voorwaarden, onder meer omdat hij op 8 oktober 2025 bij een tankstation in Amsterdam-Noord een man probeerde te doden door hem te beschieten.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

vonnis

Afdeling Publiekrecht

Teams Strafrecht

Parketnummers: 13.265709.25 en 13.002078.26 (ter terechtzitting gevoegd)

Datum uitspraak: 22 september 2026

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1994,

ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:

[adres] , [woonplaats] ,

thans gedetineerd te: [naam PI] .

1. Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 8 september 2026.

De rechtbank heeft de zaken, die bij afzonderlijke dagvaardingen onder de bovenvermelde parketnummers zijn aangebracht, gevoegd. Deze zaken worden hierna als respectievelijk zaak A en zaak B aangeduid.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. F.V. Streiff, en van wat verdachte en zijn raadsvrouw, mr. D.R. Backers, naar voren hebben gebracht.

De rechtbank heeft ook kennisgenomen van hetgeen mr. Z. Badrane, waarnemend voor mr. L.A.W. Newoor, namens benadeelde partij [benadeelde partij 1] en mr. M. Özsüren namens benadeelde partij [benadeelde partij 2] naar voren hebben gebracht.

2. Tenlastelegging

Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich in Amsterdam schuldig heeft gemaakt aan

zaak A

1

primair

een poging tot het opzettelijk toebrengen van dodelijk letsel aan [benadeelde partij 1] op 8 oktober 2025,

subsidiair

een poging tot het opzettelijk toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan [benadeelde partij 1] op 8 oktober 2025,

meer subsidiair

de mishandeling van [benadeelde partij 1] op 8 oktober 2025,

2

het voorhanden hebben van een vuurwapen op 8 oktober 2025,

3

het voorhanden hebben van munitie op 8 oktober 2025,

zaak B

1

mishandeling van [slachtoffer] op 7 oktober 2025,

2

mishandeling van [benadeelde partij 2] op 7 oktober 2025.

De volledige tenlastelegging is opgenomen in een bijlage die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

3. Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4. Waardering van het bewijs

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat alle feiten wettig en overtuigend kunnen worden bewezen.

Ten aanzien van zaak A, feit 1 heeft verdachte bij het tankstation tweemaal in de richting van het slachtoffer geschoten. Hoewel het dossier vragen oproept worden deze helder beantwoord op basis van de stukken in het dossier. Het DNA van verdachte bevindt zich bijvoorbeeld op de trekker van het pistool en een alternatief scenario wordt uitgesloten. Ten aanzien van feiten 2 en 3 is gebleken dat verdachte het wapen voorhanden had en bevat het dossier een wapen- en munitierapport.

Ten aanzien van zaak B, feiten 1 en 2 is gebleken dat verdachte beide slachtoffers heeft mishandeld. De aangiftes worden ondersteund door getuigenverklaringen. Ten aanzien van feit 1 is duidelijk sprake van een kennelijke verschrijving met betrekking tot de datum van het feit. Dit heeft op 7 oktober 2025 plaatsgevonden, zoals ook genoemd door de getuige.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte vrijgesproken dient te worden van het onder zaak A ten laste gelegde feit 1 aangezien niet buiten redelijke twijfel kan worden vastgesteld dat verdachte de schutter is geweest. Subsidiair was geen sprake van voorwaardelijk opzet op het toebrengen van de dood, noch zwaar lichamelijk letsel, noch pijn of überhaupt letsel. De toedracht van de schotwond bij aangever [benadeelde partij 1] kan namelijk niet vastgesteld worden. Indien de rechtbank de lezing van aangever volgt kan evengoed geen voorwaardelijk opzet op eerdergenoemde gevolgen worden aangenomen.

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte vrijgesproken dient te worden van de onder zaak B feit 2 ten laste gelegde mishandeling gelet op het op ambtseed opgemaakte herstelproces-verbaal dat 10 oktober 2025 als pleegdatum noemt. Hier dient niet zomaar aan voorbij te worden gegaan, aangezien nu niet bewezen kan worden dat verdachte aangever [slachtoffer] op 7 oktober 2025 zou hebben mishandeld.

Ten aanzien van de onder zaak A ten laste gelegde feiten 2 en 3 en het onder zaak B ten laste gelegde feit 1 refereert de verdediging zich aan het oordeel van de rechtbank.

Het oordeel van de rechtbank

Ten aanzien van zaak A, feit 1

De rechtbank is van oordeel dat op grond van de in bijlage II genoemde bewijsmiddelen wettig en overtuigend is bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de primair ten laste gelegde poging tot doodslag.

De rechtbank acht de omschrijving van het geweld zoals aangever in zijn aangifte vermeldt betrouwbaar en stelt op basis hiervan de volgende gang van zaken vast.

Aangever zag bij het BP-tankstation op de Zuiderzeeweg in Amsterdam een voor hem bekende man. Aangever stopte zijn auto naast deze bekende om te vragen hoe het ging. De bekende man begon meteen op dwingende toon vragen te stellen aan aangever. Hij beval aangever uit te stappen en zijn autosleutels en kentekenbewijs deel III aan hem te geven. Vervolgens trok de man een vuurwapen en richtte hij dit op het hoofd van aangever. Aangever is toen uitgestapt en is naast zijn auto gaan staan. De man heeft nog meermalen dwingende, onsamenhangende vragen gesteld aan aangever. De man vroeg aangever toen een stap naar achter te zetten, richtte zijn vuurwapen op het onderlichaam van aangever en schoot. Kort erna schoot de man nogmaals in de richting van aangever. Na een vechtpartij weet aangever het wapen uit de hand van de man te pakken, in zijn auto te gooien en weg te rijden. Tijdens het rijden realiseert hij zich dat hij in zijn dijbeen is geraakt door het schot van de man. Hij belt de politie en wordt bij het politiebureau opgevangen door een aantal agenten. Die nemen een schotwond waar en horen van aangever dat het door de dader gebruikte vuurwapen op de bijrijdersstoel ligt. De politie is vervolgens naar het tankstation gegaan, treffen daar een man die aan het telefoneren is en zegt “Ik denk dat ik zo aangehouden wordt.” Deze man blijkt verdachte te zijn.

De overige stukken in het dossier steunen ook het door aangever geschetste scenario. De rechtbank leest allereerst in het dossier dat er een vingerafdruk van verdachte is aangetroffen op de zijkant van het patroonmagazijn dat zich in het vuurwapen bevindt. Nu dit een spoor betreft dat zich aan de binnenkant van het wapen bevindt, op een plaats die enkel bereikbaar is voor de persoon die het wapen heeft geladen, kan het niet anders dan dat verdachte het wapen heeft geladen en mee heeft genomen naar de plaats delict. De rechtbank interpreteert daarnaast de resultaten van het DNA-onderzoek van het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) zo dat de DNA-profielen die op de greep en de trekker van het vuurwapen zijn aangetroffen uitwijzen dat beide partijen het wapen hebben aangeraakt, hetgeen strookt met de aangifte. Het NFI concludeert ten slotte dat hun bevindingen, uitgaande van een inschotbeschadiging op de broek van aangever, veel waarschijnlijker zijn als er met een afstand van meer dan 50 centimeter is geschoten op aangever, dan als die afstand gelijk was of kleiner dan 50 centimeter. De rechtbank interpreteert deze resultaten zo dat het veel waarschijnlijker is dat er sprake was van een grotere schietafstand dan 50 centimeter en concludeert op basis daarvan dat het aannemelijker is dat verdachte met het wapen op aangever heeft geschoten, dan dat het wapen gedurende de worsteling is afgegaan of dat de wond anderszins door aangever zelf is veroorzaakt. Verdachte biedt daarbij geen alternatief scenario voor hetgeen in de aangifte genoemd en de lezing die door de raadsvrouw wordt geboden vindt geen steun in het dossier. Verdachte heeft ter zitting verklaard geen (enkele) herinnering aan het incident te hebben. De rechtbank stelt dan ook vast dat verdachte de schutter is die het bij aangever aangetroffen letsel heeft toegebracht.

Voorwaardelijk opzet

De rechtbank stelt voorop dat voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg – zoals hier dodelijk letsel – aanwezig is als de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat dat gevolg zal intreden.

Voor de vraag of sprake is van bewuste aanvaarding van zo'n kans heeft te gelden dat uit de enkele omstandigheid dat de verdachte wetenschap heeft van de aanmerkelijke kans dat het gevolg zal intreden, niet zonder meer kan volgen dat hij de aanmerkelijke kans op het gevolg bewust heeft aanvaard, omdat ook sprake kan zijn van bewuste schuld. Bepaalde gedragingen kunnen echter naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zozeer gericht op een bepaald gevolg dat het – behalve als sprake is van contra-indicaties – niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het betreffende gevolg bewust heeft aanvaard.

De rechtbank gaat, zoals hiervoor overwogen, uit van het scenario zoals in de aangifte geschetst. Verdachte heeft op korte afstand, als ongeoefend schutter, met een vuurwapen op het onderlichaam van aangever geschoten. Hierbij heeft aangever een schotwond overgehouden aan zijn dijbeen, dichtbij zijn lies. Daarna heeft verdachte nogmaals in de richting van aangever geschoten maar hem niet geraakt. Het is dan ook niet aan verdachte te danken dat bij aangever geen grote bloedvaten of (hoger liggende) vitale organen geraakt zijn.

De rechtbank overweegt dat zich in het onderlichaam onder andere de darmen en enkele grote bloedvaten bevinden. Perforatie daarvan door een kogel kan dodelijk letsel opleveren.

De rechtbank is van oordeel dat de gedragingen van verdachte, ook in aanmerking nemende dat verdachte al dan niet bewust op het onderlichaam van aangever heeft geschoten, naar hun uiterlijke verschijningsvorm kunnen worden aangemerkt als zozeer op het toebrengen van dodelijk letsel gericht te zijn dat het, behoudens aanwijzingen voor het tegendeel, niet anders kan zijn dan dat verdachte de aanmerkelijke kans op het betreffende gevolg bewust heeft aanvaard. Van contra-indicaties is de rechtbank niet gebleken. Het feit dat verdachte aan aangever heeft gevraagd een stap naar achter te zetten maakt het voorgaande niet anders. Het primair tenlastegelegde is dan ook in zoverre wettig en overtuigend bewezen.

Ten aanzien van zaak A, feiten 2 en 3

De rechtbank is op grond van het hiervoor genoemde en de in bijlage II genoemde bewijsmiddelen van oordeel dat wettig en overtuigend is bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het ten laste gelegde wapen- en munitiebezit.

Ten aanzien van zaak B, feit 1

De rechtbank is van oordeel dat op grond van de in bijlage II genoemde bewijsmiddelen wettig en overtuigend is bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het ten laste gelegde feit.

Ten aanzien van de verwarring rondom de pleegdatum van dit feit stelt de rechtbank vast dat sprake is geweest van een misverstand en een kennelijke verschrijving. Bovenaan de aangifte wordt als pleegdatum 7 oktober 2025 vermeld en de getuige [naam getuige] is op 7 oktober 2025 gehoord over een incident wat kort voor het verhoor heeft plaatsgevonden. Daarnaast was de verdachte op 10 oktober 2025 al gedetineerd naar aanleiding van de in zaak A ten laste gelegde feiten. Het kan dan ook niet anders dan dat deze mishandeling op 7 oktober 2025 is gepleegd.

Ten aanzien van zaak B, feit 2

De rechtbank is van oordeel dat op grond van de in bijlage II genoemde bewijsmiddelen wettig en overtuigend is bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het ten laste gelegde feit.

5. Het bewijs

De rechtbank acht bewezen dat verdachte

zaak A

1

primair

op 8 oktober 2025 te Amsterdam, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een ander, te weten [benadeelde partij 1] , van het leven te beroven, met een vuurwapen in de richting van het lichaam van die [benadeelde partij 1] heeft geschoten en die [benadeelde partij 1] daarbij in zijn been heeft geraakt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid,

2

op 8 oktober 2025 te Amsterdam, een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een illegaal getransformeerd (omgebouwd) pistool, van het merk Heckler & Koch, model P30, in het (gewijzigde) kaliber 7.65mm Browning (.32 Auto) zijnde een vuurwapen in de vorm van een pistool voorhanden heeft gehad,

3

op 8 oktober 2025 te Amsterdam, munitie van categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten één stuk munitie van het merk CBC en het kaliber 7.65mm Browning (.32 Auto) voorhanden heeft gehad,

zaak B

1

op 7 oktober 2025 te Amsterdam (omstreeks 01:35 uur) [slachtoffer] heeft mishandeld, door die [slachtoffer] in het gezicht te stompen,

2

op 7 oktober 2025 (omstreeks 13:53 uur) te Amsterdam [benadeelde partij 2] heeft mishandeld, door die [benadeelde partij 2] meermalen in het gezicht te stompen.

6. De strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7. De strafbaarheid van verdachte

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de rapportage van de deskundigen van 4 en 8 juni 2026 de rechtbank ruimte laat om tot volledige ontoerekeningsvatbaarheid te concluderen. Het valt niet uit te sluiten dat de deskundigen met meer zicht op zijn psychotische ontregeling ook tot dit advies waren gekomen. Aangezien verdachte in het verleden ook sterk psychotisch ontregeld is geweest is het zeer onwaarschijnlijk dat verdachte bij zinnen is geweest ten tijde van de feiten. Hij dient dan ook te worden ontslagen van alle rechtsvervolging voor de hem ten laste gelegde feiten.

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de conclusies van de deskundigen dienen te worden overgenomen en dat verdachte sterk verminderd toerekeningsvatbaar dient te worden geacht ten tijde van de feiten.

De rechtbank ziet aanleiding om verdachte sterk verminderd toerekeningsvatbaar te verklaren voor feit 1 van zaak A. De overwegingen hierover zijn in rubriek 8.3. uiteengezet. Er is daarbij geen andere omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook voor alle bewezen feiten strafbaar.

8. Motivering van de straf en maatregelen

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van de door hem bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 24 maanden, met aftrek van voorarrest. Daarnaast vordert de officier van justitie dat aan verdachte de maatregel van terbeschikkingstelling (hierna: tbs) met voorwaarden wordt opgelegd met dadelijke uitvoerbaarheid. Tot slot heeft de officier van justitie verzocht om aan verdachte de gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel (hierna: GVM) op te leggen en om de voorlopige hechtenis te schorsen met ingang van de dag dat verdachte kan worden opgenomen in een zorginstelling.

Het strafmaatverweer van de verdediging

Indien de rechtbank overgaat tot oplegging van een maatregel verzoekt de verdediging een tbs-maatregel met voorwaarden op te leggen. Verdachte is gemotiveerd om mee te werken aan de voorwaarden. Indien een dergelijke maatregel wordt opgelegd wordt verzocht af te zien van de oplegging van de GVM aangezien deze niet noodzakelijk is.

De verdediging verzoekt daarnaast, indien de rechtbank overgaat tot oplegging van een gevangenisstraf, deze te matigen tot de tijd die verdachte reeds heeft doorgebracht in voorarrest. Daarbij is wel relevant dat er praktische problemen bestaan bij het vrijlaten van verdachte zonder dat er een woonplek met passende hulpverlening beschikbaar is. Het strafdoel vergelding dient in ieder geval niet te prevaleren.

Ten slotte verzoekt zij de voorlopige hechtenis bij einduitspraak op te heffen aangezien zich een situatie als bedoeld in artikel 67a, lid 3, Sv voordoet.

Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Ernst van de feiten

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag door bij een tankstation een wapen te trekken en tweemaal richting aangever te schieten, waarbij hij hem eenmaal in zijn dijbeen heeft geraakt. Verdachte heeft door zijn gedragingen welbewust een zeer groot en levensbedreigend gevaar voor de aangever in het leven geroepen. Dat aangever niet is komen te overlijden, is niet aan verdachte te danken. Het slachtoffer heeft een periode na het feit nog last gehad van herbelevingen en nachtmerries vanwege het door verdachte gepleegde geweld. Verdachte heeft met zijn handelen niet alleen angst- en onveiligheidsgevoelens teweeggebracht bij aangever maar ook bijgedragen aan het onveiligheidsgevoel in de maatschappij.

Verdachte heeft zich daarbij schuldig gemaakt aan wapen- en munitiebezit. Hiermee heeft hij ook bijgedragen aan onveiligheid en gevoelens van angst in de maatschappij.

Verdachte heeft zich daarnaast binnen 24 uur zonder kennelijke aanleiding schuldig gemaakt aan twee mishandelingen door eerst een man op straat in zijn gezicht te stompen en een aantal uren later de beheerder van een parkeergarage meermalen in zijn gezicht te stompen. Ten aanzien van de beheerder van de parkeergarage is het de rechtbank bekend dat de mishandeling tot op heden zijn mentale toestand heeft beïnvloed en dat hij er blijvende schade aan zijn oog aan heeft overgehouden. Wederom heeft verdachte hiermee onveiligheidsgevoelens teweeg gebracht bij aangevers en omstanders.

De ernst van de feiten rechtvaardigt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf.

De persoon van verdachte

De rechtbank heeft acht geslagen op het Uittreksel Justitiële Documentatie (het strafblad) van verdachte van 27 augustus 2026. Hieruit blijkt dat verdachte op 10 maart 2026 door de politierechter van de rechtbank Noord-Holland is veroordeeld, voor onder andere Opiumwet feiten, wederspannigheid en vernieling, tot een gevangenisstraf van 3 weken. Hierdoor is artikel 63 Sr van toepassing.

De rechtbank heeft voorts kennisgenomen van de rapporten die zijn uitgebracht over de persoon van verdachte:

Pro Justitia-rapportage van de psychiater M.C. Heus van 8 juni 2026,

Pro Justitia-rapportage van de psycholoog E.C. Wendt van 4 juni 2026,

een maatregelenrapport van 24 augustus 2026 van de GGZ Reclassering Inforsa, opgesteld door R.H.M. Liekens.

Uit de rapportages van de psychiater, de verklaring van de psychiater M.C. Heus ter zitting en de psycholoog blijkt onder meer het volgende:

Bij verdachte is een ongespecificeerde schizofreniespectrum- of andere psychotische stoornis en een stoornis in het gebruik van cannabis (ernstig, thans in vroege remissie in een gereguleerde omgeving) vastgesteld. Ten tijde van de ten laste gelegde feiten waren deze stoornissen aanwezig. Bij verdachte is sprake van een kwetsbaarheid om psychotisch te decompenseren naast de stoornis in het gebruik van cannabis. Het is dan ook waarschijnlijk dat verdachte ten gevolge van deze combinatie van psychiatrische- en verslavingsproblematiek (met daarbij ook nog gebruik van alcohol), ten tijde van deze laste gelegde feiten, psychisch ontregeld was en daarbij minder goed in staat was om zijn emoties en zijn handelen te reguleren en te beheersen. Daarbij is volgens de deskundigen sprake van een zorgelijke escalatie in het geweld tussen de bewezenverklaarde feiten.

Het is over de afgelopen jaren gebleken dat instabiele leefomstandigheden bij verdachte de kans op het gebruik van cannabis en andere middelen groter maken, waardoor er meer kans is op psychotische ontregeling hetgeen het risico op gewelddadig gedrag verhoogt. Om het risico op herhaling van gewelddadig gedrag te voorkomen is het nodig dat verdachte een langer durende klinische behandeling krijgt. Er heeft nog nooit behandeling voor de verslavingsproblematiek plaats gevonden en deze dient ingezet te worden, waarbij het ook belangrijk is dat er verder zicht komt op onderliggende kwetsbaarheden in de persoonlijkheid van verdachte en er rekening gehouden moet worden met zijn cognitieve vaardigheden. Verdachte slikt momenteel olanzapine waardoor zijn functioneren is verbeterd en er bijvoorbeeld geen incidenten meer hebben plaatsgevonden in detentie. Het is van belang dat verdachte binnenkort ingesteld wordt op een depotvorm van de antipsychotica, zodat zeker is dat hij deze gebruikt. Belangrijk is ook om zicht te krijgen op de functie van het systeem van verdachte (naast zijn moeder, broers en/of zussen) en deze bij de behandeling te betrekken. Vervolgens dient er een stapsgewijze resocialisatie plaats te vinden gericht op dagbesteding (waarbij er aandacht moet zijn voor risico op overschatting) en op een passende (beschermde of begeleide) woonvorm. Binnen deze resocialisatie en ambulantisering dient er ook voldoende zicht te zijn op zijn dagelijks functioneren, zijn bezigheden en zijn netwerk, naast controle op drugsgebruik.

Gelet op het voorgaande wordt door de deskundigen geadviseerd behandeling plaats te laten vinden in het kader van een tbs-maatregel met voorwaarden.

Een zorgmachtiging wordt niet toereikend geacht aangezien zonder de forensische invalshoek geen aandacht wordt besteed aan recidivepreventie, hetgeen van groot belang is in het geval van verdachte, mede gelet op voornoemde geweldsescalatie. De deskundigen hebben ook overwogen een dergelijk kader te adviseren in het kader van een (deels) voorwaardelijke gevangenisstraf. Er is echter een langdurig traject nodig voor de (klinische) behandeling en de vervolgens stapsgewijze resocialisatie. Vanwege de benodigde langere duur, de ernst van het ten laste gelegde en gezien de snelle terugval in middelen en contacten met justitie van verdachte na het aflopen van eerdere bijzondere voorwaarden, achten de deskundigen een zwaarder wegend en langer durend kader nodig. Verdachte heeft eerder laten zien zich aan voorwaarden te kunnen houden. De deskundigen verwachten dan ook dat een TBS met voorwaarden een gepast kader biedt om het recidive risico voldoende te beperken.

Uit het maatregelenrapport van GGZ Reclassering Inforsa (hierna: de reclassering) en de verklaring van de reclasseringsmedewerkster R.H.M. Liekens ter zitting, volgt onder meer het volgende.

De reclassering kenmerkt het psychosociaal functioneren alsook het middelengebruik als voornaamste risicofactoren en noemt daarbij de instabiliteit op vrijwel alle leefgebieden. De complexe problematiek van verdachte vereist langdurige monitoring, begeleiding en behandeling. De reclassering adviseert positief over de oplegging en uitvoerbaarheid van tbs met voorwaarden. Zij menen dat een kader zoals tbs met voorwaarden passend is om voor verdachte toe te werken naar blijvende gedragsverandering, risicobeperking en daarmee de veiligheid van de maatschappij.

De reclassering heeft in haar advies de voorwaarden geformuleerd waaronder de tbs-maatregel met voorwaarden kan worden opgelegd, te weten:

geen strafbaar feit plegen,

meewerken aan reclasseringstoezicht,

opname in een zorginstelling,

meewerken aan een time-out,

begeleid wonen of maatschappelijke opvang,

ambulante behandeling,

middelenverbod en meewerken aan middelencontrole,

dagbesteding,

meewerken aan schuldhulpverlening/beschermingsbewind,

contactverbod (met benadeelde partij [benadeelde partij 1] ),

niet naar het buitenland.

Daarnaast adviseert de reclassering de dadelijke uitvoerbaarheid van de tbs met voorwaarden, omdat de kans op een misdrijf met schade voor personen groot is.

Tot slot adviseert de reclassering een GVM-maatregel op te leggen, zodat gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende voorwaarden toegepast kunnen worden na de tbs-maatregel.

R.H.M. Liekens van de reclassering heeft ter terechtzitting laten weten dat er een indicatiestelling is afgegeven voor een behandeling bij een Forensisch Psychiatrische Kliniek en dat zij hem reeds heeft aangemeld voor een plek bij kliniek Exodus in Amsterdam. Momenteel zijn in de forensische zorg echter sprake van wachtlijsten van minimaal 4 tot 5 maanden. Er is dan ook op dit moment nog geen zicht op een concrete opnamedatum.

Verdachte heeft zich ter terechtzitting bereid verklaard mee te werken aan alle voorwaarden die de reclassering in het maatregelenrapport van 24 augustus 2026 heeft geadviseerd.

Strafoplegging

De rechtbank is van oordeel dat gelet op alle hiervoor genoemde omstandigheden aanleiding bestaat om bij de straftoemeting af te wijken van hetgeen door de officier van justitie is gevorderd.

De rechtbank acht een gevangenisstraf van 18 maanden passend en geboden, met aftrek van de periode die verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht.

Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering.

Terbeschikkingstelling met voorwaarden

De rechtbank neemt de bevindingen, conclusies en adviezen van de deskundigen over en maakt die tot de hare.

De rechtbank overweegt dat verdachte ter beschikking gesteld moet worden en dat aan de voorwaarden voor oplegging van die maatregel is voldaan. Bij verdachte bestond tijdens het begaan van het onder zaak A, feit 1 bewezen geachte is een ongespecificeerde schizofreniespectrum- of andere psychotische stoornis en een stoornis in het gebruik van cannabis, zo stelt de rechtbank vast. Deze stoornissen waren ten tijde van de bewezen geachte feiten aanwezig en beïnvloedden de gedragskeuzes en gedragingen van verdachte op dat moment. Het bewezengeachte wordt dan ook in sterk verminderde mate aan verdachte toegerekend. Dit bewezen geachte feit is een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld, en de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen vereist het opleggen van deze maatregel. Daarnaast vereist de algemene veiligheid van personen of goederen het opleggen van deze maatregel. De rechtbank zal aan verdachte dan ook de tbs-maatregel opleggen.

Alles afwegende, is de rechtbank van oordeel dat een tbs-maatregel met voorwaarden het meest geschikte middel is om het gewenste (behandel)resultaat te behalen en het hoge recidiverisico te verlagen. Eerdere behandelingen hebben namelijk niet het beoogde effect gehad en het wordt van groot belang geacht dat verdachte intensief en langdurig binnen een forensisch kader wordt behandeld voor zijn stoornissen. Een zorgmachtiging acht de rechtbank gelet op het voorgaande niet afdoende.

De rechtbank overweegt dat de maatregel van terbeschikkingstelling zal worden opgelegd voor een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. De maatregel kan daarom bij omzetting naar tbs met dwangverpleging langer duren dan vier jaar.

Dadelijke uitvoerbaarheid

Gelet op de noodzaak van de behandeling en het recidivegevaar, is de rechtbank van oordeel dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte wederom een dergelijk misdrijf zal begaan. Daarom zal zij bevelen dat de tbs met voorwaarden, dadelijk uitvoerbaar is.

GVM

Op basis van de Pro Justitia rapportages en het reclasseringsrapport is naar het oordeel van de rechtbank de kans aanwezig dat het recidiverisico na afloop van de maatregel van terbeschikkingstelling met voorwaarden nog niet tot een aanvaardbaar niveau is teruggedrongen. De rechtbank is daarom – anders dan de verdediging heeft bepleit – van oordeel dat het noodzakelijk is om verdachte daarnaast de gedragsbeïnvloedende of vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 38z Sr op te leggen. Hiermee wordt de mogelijkheid gecreëerd om verdachte ook na de terbeschikkingstelling met voorwaarden, indien dat dan nodig blijkt, onder toezicht te stellen, zodat het risico op recidive wordt geminimaliseerd. Aan de wettelijke vereisten voor de oplegging van een maatregel strekkende tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking als bedoeld in artikel 38z, eerste lid, Sr is voldaan. Aan verdachte wordt immers de maatregel van terbeschikkingstelling met voorwaarden opgelegd. Daarnaast is de oplegging van de maatregel van artikel 38z Sr in het belang van de bescherming van de veiligheid van anderen en de algemene veiligheid van personen of goederen. De beoordeling van de noodzaak tot tenuitvoerlegging van die maatregel en het eventuele bepalen van specifieke voorwaarden zal in de laatste fase van de executie van de maatregel van terbeschikkingstelling met voorwaarden plaatsvinden. Een risicotaxatie van het dan aanwezige recidivegevaar dient in het kader van die beoordeling plaats te vinden.

Voorlopige hechtenis

In het licht van het voorgaande wijst de rechtbank het verzoek van de raadsvrouw om de voorlopige hechtenis bij uitspraak op te heffen af.

Voor de periode dat dit vonnis nog niet onherroepelijk is geworden, zal de rechtbank bevelen dat de voorlopige hechtenis van verdachte wordt geschorst met ingang van het tijdstip waarop verdachte wordt opgenomen in de beoogde kliniek (of eventueel een plek voor overbruggingszorg). Aan de schorsing van de voorlopige hechtenis zal de rechtbank dezelfde voorwaarden verbinden als die aan de tbs-maatregel worden verbonden.

Die schorsing houdt verband met de tevens op te leggen dadelijk uitvoerbare tbs met voorwaarden. Zou verdachte de in dat kader te stellen voorwaarden niet naleven, terwijl dit vonnis nog niet onherroepelijk is, bestaat de mogelijkheid om de opheffing van de schorsing van de voorlopige hechtenis te bevelen. Op die manier worden de veiligheid van anderen en de algemene veiligheid van personen gewaarborgd. De rechtbank verwijst hiertoe naar het arrest van de Hoge Raad van 26 november 2024, ECLI:NL:HR:2024:1729, r.o. 6.5.

9. Beslag

De standpunten van de officier van justitie en de verdediging

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het pistool, het patroon, de munitie en de huls aan het verkeer dienen te worden onttrokken. Het shirt, de broek en de jas mogen aan aangever [benadeelde partij 1] teruggegeven worden, alsook het contante geld.

De verdediging heeft geen standpunt ingenomen ten aanzien van het beslag.

Het oordeel van de rechtbank

De inbeslaggenomen en niet teruggegeven voorwerpen, te weten: een pistool, een patroon, munitie en een huls, dienen onttrokken te worden aan het verkeer en zijn daarvoor vatbaar, aangezien met betrekking tot deze voorwerpen het bewezen geachte is begaan en deze voorwerpen van zodanige aard zijn dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet. Daarnaast kunnen de kledingstukken en het contante geld aan aangever [benadeelde partij 1] worden teruggegeven.

10. Ten aanzien van de benadeelde partijen en de schadevergoedingsmaatregelen

De vordering van [benadeelde partij 1]

De benadeelde partij vordert € 5.960,50 aan vergoeding van materiële schade en € 8000,- aan vergoeding van immateriële schade (en € 5.000,- aan toekomstige schade), te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Indien deze gematigd wordt dient het overige deel niet-ontvankelijk verklaard te worden.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering voorzover deze ziet op de toekomstige schade niet ontvankelijk verklaard dient te worden. Voor het overige is de vordering geheel voor toewijzing vatbaar.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank ten aanzien van het materiële deel van de vordering. De verdediging heeft het immateriële deel van de vordering wel betwist en noemt dat een bedrag van € 5.000,- euro redelijk en billijk is.

Het oordeel van de rechtbank

Toekomstige schade

Het gevorderde bedrag aan toekomstige schade zal niet-ontvankelijk verklaard worden.

Materiële schade

Vaststaat dat aan de benadeelde partij door het onder zaak A, feit 1 bewezenverklaarde rechtstreeks materiële schade is toegebracht. De rechtbank zal het materiële deel van de vordering geheel toewijzen, tot een bedrag van € 5.960,50, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade tot aan de dag van de algehele voldoening.

Immateriële schade

Vaststaat dat aan de benadeelde partij door het onder zaak A, feit 1 bewezenverklaarde rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. Op grond van artikel 6:106 onder b van liet Burgerlijk Wetboek (BW) heeft de benadeelde partij recht op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding van de immateriële schade aangezien de benadeelde partij ten gevolge van

het strafbare feit lichamelijk letsel heeft opgelopen.

De rechtbank stelt vast dat de benadeelde partij aansluiting zoekt bij hetgeen genoemd wordt in de zogenoemde Rotterdamse Schaal. De advocaat van de benadeelde partij heeft hierbij niet naar concrete bandbreedtes verwezen. De rechtbank let bij haar begroting eveneens op de Rotterdamse Schaal en stelt vast dat de benadeelde partij een schotwond in zijn been heeft opgelopen door het handelen van verdachte. Blijkens de vordering en hetgeen ter terechtzitting besproken ondervindt de benadeelde partij hier geen directe gevolgen meer van maar ervaart hij wel drukpijn indien de plek wordt aangeraakt. Daarbij heeft hij van het verwijderen van de kogel in het ziekenhuis een snijwond opgelopen (zie hoofdstuk 5.13, cat. f, III van de Rotterdamse schaal). Hierbij dient uitgegaan te worden van een bandbreedte van € 2.675,- tot € 4.000,- euro. De rechtbank acht een bedrag bovenaan die bandbreedte billijk voor de omstandigheden zoals die in de vordering zijn omschreven, en acht in dit geval een bedrag van € 4.000,- passend.

De vordering zal voor het overige worden afgewezen aangezien dit naar het oordeel van de rechtbank het juiste rechtsgevolg is.

Schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank zal de hierna te noemen schadevergoedingsmaatregel opleggen aangezien verdachte, jegens het slachtoffer [benadeelde partij 1] , naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de

schade die door het bewezen geachte feit is toegebracht. De rechtbank waardeert deze schade op een bedrag van € 9.960,52,-, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade tot aan de dag van de algehele voldoening.

De vordering van [benadeelde partij 2]

De benadeelde partij vordert € 1.679,52 aan vergoeding van materiële schade en € 12.000,- (subsidiair € 8.000,-) aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het materiële deel van de vordering voor toewijzing vatbaar is. Op basis van de Rotterdamse Schaal dient het immateriële deel van de vordering toegewezen te worden tot een bedrag van minimaal € 6.000,- euro of een hoger door de rechtbank te schatten bedrag. Het overige deel dient niet-ontvankelijk verklaard te worden.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat enkel de reis- en parkeerkosten uit het materiële deel niet-ontvankelijk verklaard dienen te worden aangezien deze niet onderbouwd zijn. Daarnaast dient de immateriële schadevergoeding aanzienlijk gematigd te worden.

Het oordeel van de rechtbank

Materiele schade

Vaststaat dat aan de benadeelde partij door het onder zaak B, feit 2 bewezenverklaarde rechtstreeks materiële schade is toegebracht. Enkel de reis- en parkeerkosten zijn betwist maar deze zijn naar het oordeel van de rechtbank wel voldoende onderbouwd. De rechtbank zal het materiële deel van de vordering dan ook geheel toewijzen, tot een bedrag van € 1.679,52, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade tot aan de dag van de algehele voldoening.

Ten aanzien van de zorgkosten (€ 99,27) geldt de wettelijke rente vanaf 30 oktober 2025. Ten aanzien van de gederfde inkomsten (€ 1.500,-) geldt de wettelijke rente vanaf 1 januari 2026. Ten aanzien van de reis- en parkeerkosten (€ 80,25) geldt de wettelijke rente vanaf 26 augustus 2026.

Immateriële schadevergoeding

Vaststaat dat aan de benadeelde partij door het onder zaak B, feit 2 bewezenverklaarde rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. Op grond van artikel 6: 106 onder b van liet Burgerlijk Wetboek (BW) heeft de benadeelde partij recht op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding van de immateriële schade aangezien de benadeelde partij ten gevolge van

het strafbare feit lichamelijk letsel heeft opgelopen.

De rechtbank stelt vast dat de benadeelde partij aansluiting zoekt bij hetgeen genoemd wordt in de Rotterdamse Schaal. De rechtbank let bij haar begroting eveneens op de Rotterdamse Schaal en stelt vast dat de benadeelde partij blijvende oogschade heeft opgelopen als gevolg van het handelen van verdachte. Blijkens de vordering en hetgeen ter terechtzitting besproken heeft hij last van sliertjes/vlekken in zijn zicht die niet meer weg zullen gaan en is dit vooral hinderlijk in het dagelijks leven (zie hoofdstuk 3, cat. g van de Rotterdamse Schaal). Hierbij dient uitgegaan te worden van een bandbreedte van € 6.000,- tot € 14.000,-. De rechtbank acht een bedrag onderaan deze bandbreedte billijk en acht een bedrag van € 6.000,- euro passend.

De vordering zal voor het overige worden afgewezen.

Schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank zal de hierna te noemen schadevergoedingsmaatregel opleggen aangezien verdachte, jegens het slachtoffer [benadeelde partij 2] , naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen geachte feit is toegebracht. De rechtbank waardeert deze schade op een bedrag van € 7.697,52,-, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade tot aan de dag van de algehele voldoening.

11. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregelen zijn gegrond op de artikelen 33, 33a, 36b, 36c, 36f, 37a, 38, 38a, 38z, 45, 57, 63, 287, 300 van het Wetboek van Strafrecht en 26 en 55 van de Wet Wapens en Munitie.

10. Beslissing

eendaadse samenloop van

telkens: mishandeling

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5. is vermeld.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

zaak A

1

primair

poging tot doodslag

2 en 3

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III

en

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie

zaak B

1. en 2

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 18 (achttien) maanden.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Gelast dat verdachte ter beschikking zal worden gesteld en stelt daarbij de volgende voorwaarden:

1. Geen strafbaar feit plegen

Verdachte maakt zich niet schuldig aan een strafbaar feit.

2. Meewerken aan reclasseringstoezicht

Verdachte werkt mee aan het reclasseringstoezicht. Deze medewerking houdt onder andere in:

3. Opname in een zorginstelling

Verdachte laat zich opnemen en zal verblijven in een nader te bepalen forensische klinische instelling, zulks te bepalen door de justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing.

De opname start direct aansluitend aan detentie. De opname duurt zolang de reclassering en het behandelteam dat nodig vinden. Verdachte houdt zich aan de daar geldende huisregels, afspraken en aanwijzingen die de zorginstelling geeft voor de behandeling. Het innemen van medicijnen kan onderdeel zijn van de behandeling. Als de reclassering en het behandelteam een overgang naar ambulante zorg, begeleid wonen of maatschappelijke opvang gewenst vinden, werkt verdachte mee aan de indicatiestelling en plaatsing.

4. Meewerken aan een time-out

Als de reclassering dat nodig vindt en de terbeschikkinggestelde daarmee instemt, kan de

terbeschikkinggestelde voor een time-out worden opgenomen in een Forensisch Psychiatrisch Centrum (FPC) of andere instelling. Deze time-out duurt totdat de reclassering of de terbeschikkinggestelde deze beëindigt, maar maximaal zeven weken, met de mogelijkheid van verlenging met nog eens maximaal zeven weken, tot maximaal veertien weken per jaar.

5. Begeleid wonen of maatschappelijke opvang

Aansluitend aan zijn klinische opname zal verdachte verblijven in een instelling voor beschermd wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing. Het verblijf duurt zolang de reclassering en zorginstelling dat nodig vinden. Verdachte houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering voor hem heeft opgesteld.

6. Ambulante behandeling

Aansluitend aan zijn klinische behandeling laat verdachte zich behandelen door een forensisch ambulante behandelinstelling of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De behandeling duurt zolang de reclassering en/of de zorginstelling dat nodig vindt. Verdachte houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling. Het innemen van medicijnen kan onderdeel zijn van de behandeling.

7. Middelenverbod en meewerken aan middelencontrole

Verdachte gebruikt geen drugs en alcohol en werkt mee aan controle op dit verbod. De reclassering bepaalt met welke controlemiddelen en hoe vaak verdachte wordt gecontroleerd. Mogelijke controlemiddelen zijn ademonderzoek (blaastest) en urineonderzoek.

8. Dagbesteding

Verdachte zet zich in voor het realiseren en behouden van een passende en door de reclassering goedgekeurde dagbesteding en houdt zich aan de voorwaarden c.q. regels die hem gesteld worden.

9. Meewerken aan schuldhulpverlening/beschermingsbewind

Verdachte geeft inzage in zijn financiën en werkt mee aan het aflossen van zijn schulden en het treffen van betalingsregelingen. Desgewenst werkt hij mee aan schuldhulpverlening in het kader van de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen en/of beschermingsbewind.

10. Contactverbod

Verdachte zal op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zoeken- of hebben met aangever [benadeelde partij 1] , [geboortedatum] .

11. Niet naar het buitenland

Verdachte zal zich niet buiten de Europese landsgrenzen van Nederland begeven.

Beveelt dat de terbeschikkingstelling met voorwaarden dadelijk uitvoerbaar is.

Legt op de maatregel strekkende tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking.

Schorst de voorlopige hechtenis van verdachte met ingang van de dag waarop de terbeschikkinggestelde zich heeft laten opnemen in een zorginstelling onder dezelfde voorwaarden zoals deze onder 1 tot en met 11 zijn vermeld bij de voorwaarden betreffende het gedrag van de terbeschikkinggestelde. Deze beslissing wordt afzonderlijk opgesteld.

Stelt vast dat – gelet op artikel 6:3:14 lid 1 aanhef en onderdeel a sub 3 en 6 Sv – het Openbaar Ministerie belast is met het toezicht op de naleving van de voorwaarden gesteld bij de last tot terbeschikkingstelling en de schorsing van de voorlopige hechtenis, te bepalen door de justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing en de schorsing van de voorlopige hechtenis.

Verklaart onttrokken aan het verkeer:

Gelast de teruggave aan [benadeelde partij 1] van:

Gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbende van:

20,00 EUR Geld Euro (G6719993).

Vordering van [benadeelde partij 1]

Wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] toe tot een bedrag van € 9.960,50 (negenduizend negenhonderdzestig euro en vijftig eurocent), bestaande uit € 5.960,50 (vijfduizend negenhonderdzestig euro en vijftig eurocent) aan vergoeding van materiële schade en € 4.000,- (vierduizend euro) aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (8 oktober 2025) tot aan de dag van de algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [benadeelde partij 1] voornoemd.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Wijst de vordering voor het overige af.

Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [benadeelde partij 1] aan de Staat € 9.960,50 (negenduizend negenhonderdzestig euro en vijftig eurocent) te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 74 dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Vordering van [benadeelde partij 2]

Wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2] toe tot een bedrag van € 7.679,52 (zevenduizend zeshonderdnegenenzeventig euro en tweeënvijftig eurocent), bestaande uit € 1.679,52 (duizend zeshonderdnegenenzeventig euro en tweeënvijftig eurocent) aan vergoeding van materiële schade en € 6.000,- (zesduizend euro) aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade tot aan de dag van de algehele voldoening. Ten aanzien van de zorgkosten (€ 99,27) geldt de wettelijke rente vanaf 30 oktober 2025. Ten aanzien van de gederfde inkomsten (€ 1.500,-) geldt de wettelijke rente vanaf 1 januari 2026. Ten aanzien van de reis- en parkeerkosten (€ 80,25) geldt de wettelijke rente vanaf 26 augustus 2026.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [benadeelde partij 2] voornoemd.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Wijst de vordering voor het overige af.

Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [benadeelde partij 2] aan de Staat € 7.679,52 (zevenduizend zeshonderdnegenenzeventig euro en tweeënvijftig eurocent) te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 63 dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Dit vonnis is gewezen door

mr. R.A. Sipkens, voorzitter,

mrs. C. Klomp en D.A. Segbedzi, rechters,

in tegenwoordigheid van L.E. Poel, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 22 september 2026.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. R.A. Sipkens

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand