ECLI:NL:GHAMS:2026:2722

ECLI:NL:GHAMS:2026:2722

Instantie Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak 18-09-2026
Datum publicatie 23-09-2026
Zaaknummer 23-000633-25
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats Amsterdam
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:RBAMS:2025:1860

Samenvatting

witwassen

Uitspraak

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 4 september 2026 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en de raadsman naar voren hebben gebracht.

Tenlastelegging

Gelet op de in eerste aanleg door de rechtbank en in hoger beroep door het gerechtshof toegelaten wijzigingen is aan de verdachte tenlastegelegd dat:

hij in of omstreeks de periode van 6 mei 2022 tot en met 23 april 2024, te Amsterdam en/of Amstelveen, in elk geval in Nederland, (van) een of meer geldbedragen, te weten een geldbedrag ter hoogte van in totaal 45.685,00 euro (aan contante stortingen) en/of een geldbedrag ter hoogte van in totaal 5000 euro (aangetroffen in zijn woning), althans een of meer voorwerpen

Sub a

- de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de verplaatsing heeft verborgen en/of heeft verhuld, dan wel

- heeft verborgen en/of heeft verhuld wie de rechthebbende(n) op dat /die geldbedragen was/waren, en/of

- heeft verborgen en/of heeft verhuld wie dat/die geldbedragen voorhanden had(den)

Sub b

- heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen, heeft omgezet, en/of

- gebruik heeft gemaakt

terwijl hij, verdachte, wist, althans redelijkerwijs moet vermoeden, dat dat/die geldbedragen - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig (eigen) misdrijf.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat in hoger beroep de tenlastelegging – en aldus de grondslag van het onderzoek – is gewijzigd.

Bewijsoverweging

Standpunt van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het tenlastegelegde feit. Hij heeft daartoe aangevoerd dat sprake is van een witwasvermoeden dat door de verklaringen van de verdachte niet is weerlegd. De verklaring van de verdachte met betrekking tot de € 5.000,00 euro die in zijn woning is aangetroffen, is hoogst onwaarschijnlijk. De verdachte heeft wisselend verklaard over de herkomst van dit geldbedrag en ook waarvoor dit geldbedrag bestemd zou zijn. Ook de verklaring die de verdachte met betrekking tot de contante stortingen heeft afgelegd is hoogst onwaarschijnlijk en daarnaast niet verifieerbaar. Gelet hierop rust er geen plicht op het openbaar ministerie tot het doen van nader onderzoek, aldus de advocaat-generaal.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bepleit dat de verdachte dient te worden vrijgesproken. Hij heeft daartoe aangevoerd dat de verdachte een verklaring heeft gegeven over de herkomst van de geldbedragen. Uit die verklaring blijkt dat de geldbedragen niet van misdrijf afkomstig zijn. De verdachte heeft de € 5.000,00 euro van zijn dochter en zijn moeder gestort op zijn bankrekening ontvangen. Dit geld heeft hij vervolgens gepind en in zijn nachtkastje bewaard. De tenlastegelegde contante stortingen zijn afkomstig uit de betalingen na liquidatie van een bedrijf in Colombia genaamd [bedrijf] . De verdachte beschikte over 45% van de aandelen in dit bedrijf. Ter onderbouwing van deze verklaringen heeft de verdachte stukken overgelegd.

Oordeel van het hof

Het hof stelt vast dat zich in het dossier niet voldoende bewijs bevindt op grond waarvan een rechtstreeks verband kan worden gelegd tussen de tenlastegelegde geldbedragen en een concreet aan te duiden misdrijf. Niettemin kan bewezen worden geacht dat een voorwerp ‘uit enig misdrijf’ afkomstig is, als het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is. Als door het openbaar ministerie feiten en omstandigheden zijn aangedragen die een vermoeden rechtvaardigen dat het niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is, mag van de verdachte worden verlangd dat hij of zij een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is. De omstandigheid dat deze verklaring van de verdachte mag worden verlangd, houdt niet in dat het aan de verdachte is om aannemelijk te maken dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is.

Als de verdachte zo'n verklaring heeft gegeven, ligt het op de weg van het openbaar ministerie nader onderzoek te doen naar die verklaring. Mede op basis van de resultaten van dat onderzoek zal moeten worden beoordeeld of ondanks de verklaring van de verdachte het witwassen bewezen kan worden op de grond dat (het niet anders kan zijn dan dat) het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is.

Als zo'n verklaring is uitgebleven, mag de rechter die omstandigheid betrekken in zijn bewijsoverwegingen.

Vermoeden van witwassen

De verdachte is op 23 april 2024 aangehouden voor de verdenking van witwassen en handel in verdovende middelen. De zaak omtrent de verdovende middelen is geseponeerd. Tijdens de

doorzoeking van de woning waar de verdachte verbleef, heeft de politie in het nachtkastje in de

slaapkamer in totaal € 5.000,00 aangetroffen in coupures van € 50,00, € 100,00 en € 200,00.

Daarnaast zijn in de woning een geldtelmachine, een drukpers en een zakje wit poeder in beslag genomen. Uit financieel onderzoek naar de verdachte is verder gebleken dat in een periode van minder dan anderhalf jaar in totaal ruim € 45.000,00 contant is gestort op de bankrekening van de verdachte. De geldbedragen variëren van € 50,00 tot € 2.500,00, waarbij in totaal 107 stortingen hebben plaatsgevonden bij verschillende geldautomaten in Amsterdam. Daarnaast komt uit het financieel onderzoek naar voren dat de verdachte in deze periode geen inkomen of uitkering heeft gehad.

Met de rechtbank is het hof van oordeel dat deze feiten en omstandigheden het vermoeden rechtvaardigen dat de aan de verdachte tenlastegelegde geldbedragen een criminele herkomst hebben. Gelet hierop mag van verdachte worden verlangd dat hij een concrete, min of meer verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft voor de herkomst van het geld.

Ten aanzien van het contante geldbedrag van € 5.000,00

De verdachte heeft over het onder hem inbeslaggenomen bedrag van € 5.000,00 als volgt verklaard. Tegen de politie heeft de verdachte gezegd dat hij dit geld met werk bij elkaar heeft gespaard. Op zitting in eerste aanleg heeft de verdachte echter gesteld dat hij dit geld van familie heeft gekregen. De verdachte heeft daartoe overschrijvingsbewijzen overgelegd ten bedrage van

€ 5.000,00 en € 3.256,00, respectievelijk van 19 oktober 2023 en 2 januari 2024. Volgens de verdachte heeft hij deze bedragen opgenomen en is het bij hem aangetroffen geld daarvan het restant.

Het hof acht beide – tegenstrijdige – verklaringen hoogst onwaarschijnlijk. Voor wat betreft de verklaring dat het geld uit arbeid afkomstig is, geldt dat dit niet valt te rijmen met de verklaring die de verdachte ter zitting in eerste aanleg heeft afgelegd, inhoudende dat hij ‘eind januari 2024 is begonnen met werken en in de periode daarvoor dus geen geld had’. Uit de Rapportage Vermogen en Inkomen van 15 maart 2024 blijkt ook dat de verdachte in de betreffende periode geen inkomen heeft genereerd en geen uitkering heeft ontvangen. Ook overigens biedt het dossier geen enkel aanknopingspunt om aan te nemen dat de verdachte destijds een baan had waarmee hij geld verdiende.

Ten aanzien van de verklaring dat hij het geld heeft gekregen van familie overweegt het hof het volgende. Het hof gaat ervan uit dat voornoemde geldbedragen door familie van de verdachte zijn overgemaakt naar zijn rekening. Het hof acht het echter hoogst onwaarschijnlijk dat deze geldbedragen de bron vormen van de € 5.000,00 die bij de verdachte op 23 april 2024 in beslag zijn genomen. Ten eerste valt niet in te zien dat en waarom de verdachte het geld contant zou willen bewaren in plaats van op zijn eigen bankrekening. De verdachte heeft over die reden bovendien wisselend en niet onderbouwd verklaard: bij de politie zegt hij dat hij graag geld cash wil hebben zodat hij ‘het uit kan lenen als hij dat wil weggeven’, ter terechtzitting in eerste aanleg heeft hij aangegeven dat dit geld bestemd zou zijn voor levensonderhoud, terwijl hij in hoger beroep – zonder enige onderbouwing – heeft aangevoerd dat hij dit geld wilde gebruiken om reparaties aan zijn gebit in Turkije te bekostigen. Ten tweede verhoudt zijn verklaring dat hij het geld liever niet op de bank liet staan zich niet met het gegeven dat uit het dossier volgt dat de verdachte in de periode mei 2022 – juli 2023 juist voor een bedrag aan € 45.685,00 aan contanten heeft gestort op een van zijn bankrekeningen bij de ING en in de periode juli 2023 - februari 2024 een bedrag van € 2.225,00 op zijn bankrekening bij de Rabobank. Ten derde heeft de verdachte zijn stelling dat hij het door zijn familie gestorte geld heeft opgenomen slechts onderbouwd met een opname van € 800,00 op 20 oktober 2023 en € 900,00 op 5 januari 2024, hetgeen het aangetroffen bedrag van € 5.000,00 niet kan verklaren. Ten vierde passen de coupures (grotendeels briefjes van € 100,00 en met name de briefjes van € 200,00) niet goed bij opnames uit een geldautomaat. De enkele – niet onderbouwde – stelling dat de verdachte zijn geld heeft gewisseld met dat van zijn vriendin (mevrouw [persoon 1] ) die als prostituee regelmatig zou zijn betaald in dergelijke coupures, acht het hof niet aannemelijk.

De verklaring van de verdachte kan op voornoemde gronden niet worden aangemerkt als een verklaring die het vermoeden van witwassen opzij zet zodat het hof tot de conclusie komt dat het geldbedrag van € 5000,00 dat de verdachte voorhanden had, uit misdrijf afkomstig is.

Ten aanzien van de contante stortingen van € 45.685,00

De verdachte heeft bij de politie verklaard dat de contante stortingen op zijn bankrekening afkomstig zijn van een bouwbedrijf dat hij tussen 2005 en 2015 in Colombia heeft gehad en dat hij heeft verkocht voor een bedrag van tien miljoen dollar. Aan de verkoop van dat bedrijf heeft hij een klein winstbedrag overgehouden dat hij in termijnen (€ 5.000,00 per maand gedurende 18 maanden) op zijn ING-bank heeft gestort. Ter terechtzitting in eerste aanleg heeft de verdachte verklaard dat het bedrijf is geliquideerd, waarna hij recht zou hebben op vier miljoen euro, namelijk 45% van het bedrijf. De wettelijk vertegenwoordiger van het bedrijf, [persoon 2] , heeft de verdachte gedurende 23 maanden geldbedragen gebracht van telkens ongeveer € 1.500,00 tot € 2.000,00, aldus de verdediging. In hoger beroep heeft de verdachte verklaard dat deze wettelijk vertegenwoordiger bijna maandelijks een ticket betaalde voor de reis van Colombia naar Nederland om het geld – altijd contant – aan de verdachte te geven. De verdachte stortte het geld dat hij van deze wettelijk vertegenwoordiger ontving vervolgens op zijn rekening, zodat hij het kon pinnen.

Het hof acht deze verklaring(en) hoogst onwaarschijnlijk en bovendien onvoldoende verifieerbaar. Uit het voorgaande volgt dat de verdachte wisselend en tegenstrijdig heeft verklaard over de precieze gang van zaken met betrekking tot dit geldbedrag. Door de verdediging zijn ook geen stukken verstrekt waaruit blijkt dat de onderneming van verdachte is verkocht of geliquideerd of waaruit kan volgen dat hij – voor of na de gestelde liquidatie – over geldstromen uit de onderneming heeft kunnen beschikken (uit de door de verdediging overgelegde stukken – wat daar verder ook zij – kunnen hiervoor geen aanknopingspunten worden afgeleid). Verder acht het hof het – reeds gelet op de daarmee gepaard gaande kosten – ongeloofwaardig dat het door de verkoop/liquidatie vrijgekomen geld maandelijks, over een langere periode, in kleine contante bedragen vanuit Colombia naar Nederland zou zijn gebracht, zoals de verdachte in hoger beroep naar voren heeft gebracht. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat er geen verklaring is gegeven voor deze gestelde (ongebruikelijke) gang van zaken. De manier waarop de geldbedragen aan de verdachte zouden zijn verstrekt, maakt bovendien dat deze transacties niet verifieerbaar zijn, te meer nu volgens de verdacht de wettelijk vertegenwoordiger die het geld aan de verdachte zou hebben gebracht, is overleden.

Conclusie

Gelet op al het voorgaande is het hof van oordeel dat het door de verdachte geboden tegenwicht tegen de verdenking van witwassen onvoldoende aanleiding geeft tot een nader onderzoek door het openbaar ministerie, nu zijn verklaring niet is aan te merken als een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring. Er is daarom geen andere verklaring mogelijk dan dat de tenlastegelegde geldbedragen van € 5.000,00 en € 45.685,00 uit enig misdrijf afkomstig zijn.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij in de periode van 6 mei 2022 tot en met 23 april 2024, in Nederland, geldbedragen, te weten

een geldbedrag ter hoogte van in totaal 45.685,00 euro (aan contante stortingen) en een geldbedrag ter hoogte van in totaal 5000 euro (aangetroffen in zijn woning), voorhanden heeft gehad en/of heeft omgezet, terwijl hij, verdachte, wist dat die geldbedragen - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf.

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezenverklaarde levert op:

witwassen, meermalen gepleegd.

Strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het bewezenverklaarde uitsluit.

Oplegging van straf

De rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezenverklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier maanden.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straf als door de rechter in eerste aanleg opgelegd.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het witwassen van een aanzienlijk geldbedrag van in totaal € 50.685,00. Het witwassen van criminele gelden tast de integriteit van het economische verkeer aan, terwijl andere strafbare feiten erdoor worden vergemakkelijkt. De verdachte heeft aan dit kwalijke systeem over een periode van bijna twee jaren een bijdrage geleverd.

Het hof heeft bij de strafoplegging acht geslagen op de straffen die in soortgelijke gevallen worden opgelegd. Daarbij is rekening gehouden met de Oriëntatiepunten voor Straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). Het oriëntatiepunt voor fraude is bij een benadelingsbedrag van tussen de € 10.000,00 en € 70.000,00 een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van twee tot vijf maanden.

Gelet op de ernst van het feit kan naar het oordeel van het hof slechts worden volstaan met een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Voor een taakstraf zoals door de raadsman bepleit is het bewezenverklaarde feit te ernstig terwijl het hof ook in de persoonlijke omstandigheden van de verdachte geen reden ziet om tot een andere of lichtere dan na te noemen straf te komen. Het hof acht, alles afwegende, een gevangenisstraf van vier maanden passend en geboden.

Beslag

Verbeurdverklaring

Het tenlastegelegde en bewezenverklaarde is begaan met betrekking tot het inbeslaggenomen geldbedrag van € 5.000,00. Dit bedrag behoort de verdachte toe. Het zal daarom worden verbeurd verklaard.

Bewaren voor de rechthebbende

Ten aanzien van de overige inbeslaggenomen en nog niet teruggeven goederen, te weten een telefoon, gereedschap en verdovende middelen, is onduidelijk wie de rechthebbende is. Het hof zal de bewaring ten behoeve van de rechthebbende van deze in beslag genomen voorwerpen gelasten.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en beslagbeslissingen zijn gegrond op de artikelen 33, 33a, 57 en 420bis van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) maanden.

Verklaart verbeurd het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:

5.000,00 EUR Geld Euro (G6492593).

Gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbende van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

1. STK Telefoontoestel (G6492575);

1. STK Gereedschap (G6493366);

1. STK Verdovende Middelen (G6493335).

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. T. de Bont, mr. V.J.M. Goldschmeding en mr. A.M.A. Keulen, in tegenwoordigheid van mr. J.M. Pattinama, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 18 september 2026.

De jongste raadsheer is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

=========================================================================

[…]

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. J.M. Pattinama

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand