Onderzoek ter terechtzitting
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 8 september 2026.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte niet-ontvankelijk wordt verklaard in het hoger beroep.
Ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroep
De raadsvrouw van de verdachte heeft op 7 september 2026 om 16.49 uur de rechtbank Amsterdam per e-mail laten weten dat de verdachte het hoger beroep niet wenst te handhaven en de rechtbank verzocht een intrekkingsakte op te maken. De rechtbank heeft het hof om 17:00 uur bericht dat de intrekkingsakte zo spoedig mogelijk de volgende dag zou volgen.
Bij de aanvang van het onderzoek ter terechtzitting van heden heeft het hof geen intrekkingsakte ontvangen.
De raadsvrouw is ter terechtzitting verschenen. De raadsvrouw heeft herhaald dat de verdachte het hoger beroep niet langer wenst te handhaven. Nu intrekking na aanvang van het onderzoek ter terechtzitting niet meer mogelijk is en de verdachte, aldus de raadsvrouw, heeft berust in het vonnis, zal hij - nu ook overigens niet is gebleken van enig rechtens te respecteren belang dat is gediend met enig nader onderzoek van de zaak, gelet op het bepaalde in artikel 416, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering - niet-ontvankelijk worden verklaard in het ingestelde hoger beroep.
BESLISSING
Het hof:
Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. L.F. Roseval, mr. J.W.H.G. Loyson, en mr. A.M. Koolen - Zwijnenburg, in tegenwoordigheid van mr. B.K.M. Pouw, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 8 september 2026.
mr. Loyson is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.