GERECHTSHOF AMSTERDAM
Afdeling civiel recht en belastingrecht
Team III (familie- en jeugdrecht)
zaaknummer: 200.361.758/01
zaaknummer rechtbank: C/13/764558 / FA RK 25-1215
beschikking van de meervoudige kamer van 22 september 2026 in de zaak van
[de vader] ,
wonende te [plaats 1] ,
verzoeker in principaal hoger beroep,
verweerder in incidenteel hoger beroep,
hierna: de vader,
advocaat: mr. W. Matadien te Amsterdam,
en
[de moeder] ,
wonende op een geheim adres,
verweerster in principaal hoger beroep,
verzoekster in incidenteel hoger beroep,
hierna: de moeder,
advocaat: mr. M.E. Vande Voort te Bingelrade.
Het hof heeft daarnaast als belanghebbende aangemerkt:
- de minderjarige [minderjarige] (hierna: [minderjarige] ).
1. De zaak in het kort
De zaak gaat over de door de vader aan de moeder te betalen kinderbijdrage voor [minderjarige] (3 jaar oud). De rechtbank heeft bepaald dat de vader met ingang van 22 augustus 2025 een bijdrage dient te betalen van € 300,- per maand. De vader is het hier niet mee eens. De moeder is het wel eens met de hoogte van het bedrag maar wil dat een eerdere ingangsdatum wordt gehanteerd.
2. De procedure in hoger beroep
De vader is op 21 november 2025 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 22 augustus 2025 (hierna: de bestreden beschikking) van de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank).
De moeder heeft op 30 maart 2026 een verweerschrift met daarin ook een incidenteel hoger beroep ingediend.
De vader heeft op 17 juni 2026 een verweerschrift op het incidenteel hoger beroep ingediend.
Het hof heeft daarnaast de volgende stukken ontvangen:
- een bericht van de zijde van de vader van 11 februari 2026 met bijlagen;
- een bericht van de zijde van de moeder van 25 juli 2026 met bijlagen;
- een bericht van de zijde van de vader van 28 juli 2026 met bijlagen;
- een bericht van de zijde van de vader van 5 augustus 2026 met bijlagen.
De zitting heeft op 6 augustus 2026 plaatsgevonden. Daarbij waren aanwezig:
- de vader, bijgestaan door zijn advocaat,
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat.
De advocaat van de moeder heeft op de zitting een pleitnotitie overgelegd.
3. De feiten
De vader en de moeder zijn de ouders van [minderjarige] , geboren [in] 2023 te [plaats 2] .
Bij beschikking van 27 februari 2025 van de rechtbank is aan de vader vervangende toestemming verleend om [minderjarige] te erkennen. Blijkens de gemeentelijke basisadministratie heeft de vader [minderjarige] op 9 juli 2026 erkend. [minderjarige] woont bij de moeder.
Bij diezelfde beschikking van 27 februari 2025 zijn de verzoeken betreffende het gezag, de omgang, de informatieregeling en de door de vader aan de moeder te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] (hierna: kinderbijdrage) aangehouden.
Bij de, in zoverre niet bestreden beschikking van 22 augustus 2025, heeft de rechtbank de raad verzocht advies uit te brengen over het gezag, de omgangsregeling en de informatieregeling en de zaak voor wat betreft die onderwerpen pro forma aangehouden tot 23 februari 2026 in afwachting van de uitkomsten van het traject Ouderschap Blijft, het Uniform Hulpaanbod en het raadsonderzoek.
4. De omvang van het hoger beroep
De rechtbank heeft in de bestreden beschikking, voor zover hier van belang, bepaald dat de vader met ingang van 22 augustus 2025 een kinderbijdrage ten behoeve van [minderjarige] dient te voldoen aan de moeder van € 300,- per maand.
In principaal hoger beroep
De vader verzoekt zijn hoger beroep gegrond te verklaren en de bestreden beschikking te vernietigen met dien verstande dat de door de rechtbank bepaalde kinderbijdrage primair op nihil wordt gesteld en subsidiair, rekening houdend met het juiste inkomen van partijen, de gemiddelde behoefte van [minderjarige] wordt bepaald, alsmede dat, rekening houdend met de noodzakelijke uitgaven van de vader, de kinderbijdrage ten laste van de vader opnieuw wordt bepaald.
De moeder verzoekt de vader niet-ontvankelijk te verklaren, althans zijn beroep af te wijzen.
In incidenteel hoger beroep
De moeder verzoekt de bestreden beschikking voor een deel te vernietigen en opnieuw rechtdoende te bepalen dat de kinderbijdrage ingaat op 1 juli 2024, althans op zijn laatst op 22 oktober 2024 waarbij de vader wordt veroordeeld in de kosten van deze procedure.
De vader verzoekt het verzoek van de moeder af te wijzen en de bestreden beschikking ten aanzien van de ingangsdatum te bekrachtigen. De vader verzoekt daarnaast het verzoek van de moeder met betrekking tot de proceskosten af te wijzen en de proceskosten tussen partijen te compenseren.
Het hof zal de grieven in principaal en incidenteel hoger beroep per onderwerp bespreken.
5. De motivering van de beslissing
Ontvankelijkheid hoger beroep
Het hof zal eerst het meest verstrekkende verweer van de moeder bespreken. De moeder stelt zich namelijk op het standpunt dat dat de vader niet-ontvankelijk is in zijn hoger beroep omdat hij niet alle stukken van de procedure bij de rechtbank heeft ingediend.
Het hof is van oordeel dat de vader wel kan worden ontvangen in zijn hoger beroep en overweegt daartoe als volgt.
Op grond van artikel 1.2.6 Procesreglement verzoekschriftprocedure Familiezaken Gerechtshoven (hierna: Procesreglement) en artikel 34 lid 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) dienen bij het beroepschrift alle stukken uit de eerste aanleg te worden gevoegd. In het geval dat de processtukken niet compleet zijn aangeleverd, kan het hof daaraan gevolgen verbinden indien dit een schending van de goede procesorde oplevert.
Weliswaar heeft de vader de stukken uit het procesdossier in eerste aanleg niet meteen bij de indiening van het beroepschrift overgelegd, maar op een later moment in de procedure zijn alsnog de stukken in het geding gebracht. De moeder heeft, zowel in haar verweerschrift als ter zitting in hoger beroep, de gelegenheid gehad daarop te reageren.
Dit alles leidt ertoe dat het hof van oordeel dat geen sprake is van een zodanige schending van de goede procesorde, dat dit niet-ontvankelijkheid van de verzoeken van de vader in hoger beroep tot gevolg dient te hebben. De vader is derhalve ontvankelijk in zijn hoger beroep en het hof zal overgaan tot een inhoudelijke beoordeling van het hoger beroep.
Ingangsdatum
De rechtbank heeft bepaald dat de vader met ingang van de datum van de beschikking van de rechtbank, te weten 22 augustus 2025, uit hoofde van kinderalimentatie een bedrag van € 300,- aan de moeder dient te betalen. De moeder is het niet eens met de door de rechtbank vastgestelde ingangsdatum. Zij stelt zich in hoger beroep op het standpunt dat de kinderbijdrage moet ingaan op 11 juli 2024 (de datum van indiening van het verzoek van de vader bij de rechtbank) althans op 22 oktober 2024 (de datum van indiening van het verzoek van de moeder om een kinderbijdrage vast te stellen). De vader is van mening dat de rechtbank een juiste ingangsdatum heeft gehanteerd.
Het hof overweegt als volgt. Artikel 1:402 van het Burgerlijk Wetboek (BW) laat de rechter grote vrijheid bij het vaststellen van de ingangsdatum van een alimentatieverplichting. Het hof is van oordeel dat het in deze situatie redelijk is van een eerdere ingangsdatum dan die de rechtbank heeft bepaald, uit te gaan, namelijk van 22 oktober 2024. Dat is de datum waarop de moeder haar zelfstandig verzoek tot het vaststellen van een kinderbijdrage bij de rechtbank heeft ingediend. Vanaf die datum kon en moest de vader er redelijkerwijs rekening mee houden dat hij een kinderbijdrage voor [minderjarige] zou moeten betalen.
Het voorgaande betekent dat het hof de bestreden beschikking in zoverre zal vernietigen en zal bepalen dat een eventuele kinderbijdrage ingaat met ingang van 22 oktober 2024.
Behoefte [minderjarige]
De moeder heeft in haar zelfstandig verzoekschrift bij de rechtbank geen standpunt ingenomen ten aanzien van de behoefte van [minderjarige] . De rechtbank heeft – naar het hof begrijpt – de behoefte van [minderjarige] niet kunnen vaststellen bij gebrek aan voldoende door partijen verstrekte gegevens en heeft vervolgens naar redelijkheid een bijdrage vastgesteld. In hoger beroep zijn (wel) financiële gegevens overlegd Het hof zal thans ambtshalve de behoefte van [minderjarige] vaststellen.
Partijen hebben in hoger beroep allebei aangegeven dat zij niet in gezinsverband hebben samengewoond en geen relatie hebben gehad. De behoefte van [minderjarige] dient dan ook te worden bepaald door het gemiddelde te nemen van de behoefte berekend op basis van het inkomen van de ene ouder (inclusief het voor [minderjarige] ontvangen kindgebonden budget) en de behoefte op basis van het inkomen van de andere ouder (eveneens inclusief het voor [minderjarige] ontvangen kindgebonden budget).
Beide partijen hebben ter zitting in hoger beroep verklaard dat, aangezien [minderjarige] in 2023 is geboren, om de behoefte van [minderjarige] te berekenen dient te worden uitgegaan van het inkomen van partijen in 2023. Het hof is van oordeel dat dit redelijk is omdat partijen nooit hebben samengewoond en zal hier ook van uitgaan.
De moeder heeft ter zitting in hoger beroep aangegeven dat bij het vaststellen van de behoefte van [minderjarige] ook van een ander (hoger) inkomen aan de zijde van de vader kan worden uitgegaan omdat het inkomen van de vader nu hoger is dan in 2023. Het hof volgt de moeder niet in die stelling. Niet is gebleken dat het inkomen van de vader op dit moment hoger is dan het gezamenlijke inkomen van de ouders in 2023.
Aan de zijde van de vader gaat het hof uit van een jaarinkomen van € 27.184,- zoals blijkt uit de door hem overgelegde verklaring van geregistreerd inkomen over 2023. Uitgaande hiervan en rekening houdend met de aanspraak op de algemene heffingskorting, arbeidskorting, inkomensafhankelijke combinatiekorting en kindgebonden budget bedraagt zijn NBI (netto besteedbaar inkomen) € 2.709,- per maand.
Aan de zijde van de moeder is gebleken dat zij in 2023 in loondienst heeft gewerkt bij HRM Loket B.V., tevens heeft zij gedurende 2023 een ziektewetuitkering heeft ontvangen. Het inkomen uit loondienst bedroeg € 10.820,- bruto per jaar en de ziektewetuitkering bedroeg in totaal € 23.591,- bruto per jaar. Uitgaande hiervan en rekening houdend met de aanspraak op de algemene heffingskorting, arbeidskorting, inkomensafhankelijke combinatiekorting en kindgebonden budget bedraagt haar NBI € 2.537,-
Op basis van deze gegevens bedraagt de behoefte van [minderjarige] bij de vader € 343,- per maand en bij de moeder € 316,- per maand. De gemiddelde behoefte van [minderjarige] bedraagt € 330,- per maand in 2023. Geïndexeerd naar 2024 bedraagt de behoefte dan € 350,- per maand.
Draagkracht ouders
Draagkracht vader
Nu de ingangsdatum van de eventueel te betalen kinderbijdrage 22 oktober 2024 is, zal het hof voor de berekening van de draagkracht van elk van de ouders uitgaan van hun beider inkomens in het jaar 2024.
De draagkracht wordt vastgesteld aan de hand van de formule 70% [NBI - (0,3 NBI + € 1.270,-)]. Deze benadering houdt in dat het draagkrachtloos inkomen wordt vastgesteld op 30% van het NBI aan van forfaitaire woonlasten vermeerderd met een bedrag van € 1.270,- aan overige lasten en dat van het bedrag, dat van het NBI resteert na aftrek van dit draagkrachtloos inkomen, 70% beschikbaar is voor kinderalimentatie.
De vader heeft zich op het standpunt gesteld dat hij voorlopig niet in staat is om een kinderbijdrage te betalen. De vader heeft altijd in loondienst gewerkt maar halverwege 2024 is hij werkloos geraakt en heeft hij een WW-uitkering ontvangen. De vader is inmiddels een eenmanszaak gestart maar maakt nog niet veel omzet. De moeder is van mening dat de vader wel degelijk een kinderbijdrage kan betalen. Er ontbreken veel stukken over het inkomen van de vader en de levensstijl van de vader strookt niet met zijn inkomen.
Het hof zal de draagkracht van de vader berekenen aan de hand van zijn gemiddelde inkomen over de jaren 2022, 2023 en 2024. In die jaren werkte de vader grotendeels in loondienst voordat hij in 2024 zijn baan verloor. Van de vader mag worden verwacht dat hij in staat is in ieder geval het gemiddelde inkomen over die jaren te verdienen (als ondernemer dan wel in loondienst), te meer nu het inkomen in 2025 ongeveer even hoog is als het gemiddelde inkomen over de jaren 2022, 2023 en 2024. De keuze van de vader om werkzaamheden (als ondernemer) gratis te doen of tegen een tegenprestatie in natura, komt voor zijn rekening en risico en mag niet ten koste gaan van wat [minderjarige] nodig heeft.
Het hof gaat uit van de volgende cijfers zoals die blijken uit de door de vader overgelegde verklaring van geregistreerd inkomen:
- 2022: € 27.769,- bruto per jaar;
- 2023: € 27.184,- bruto per jaar;
- 2024: € 29.633,- bruto per jaar.
Het gemiddelde over deze drie jaren komt neer op € 28.195,- bruto per jaar. Bij het berekenen van het NBI ten behoeve van de bepaling van de draagkracht van de vader houdt het hof rekening met de algemene heffingskorting en de arbeidskorting. Uitgaande hiervan berekent het hof het NBI van de vader op € 2.179,- per maand. De draagkracht van de vader bedraagt dan € 178,- per maand op basis van de onder r.o. 5.11 vermelde formule.
De vader heeft ter zitting in hoger beroep aangegeven dat hij schulden heeft die hij moet aflossen en dat daar rekening mee moet worden gehouden in een draagkrachtberekening. De vader heeft in de door hem overgelegde draagkrachtberekeningen echter geen rekening gehouden met het aflossen van schulden. De moeder heeft over de schulden van de vader onbetwist gesteld dat daar niet meer op wordt afgelost sinds 2024. Gelet op dit verweer van de moeder had het op de weg van de vader gelegen om met betaalbewijzen te onderbouwen dat hij wel degelijk aflost op de schulden. Nu hij dat niet heeft gedaan zal het hof geen rekening houden met een aflossing.
Draagkracht moeder
Het hof zal de draagkracht van de moeder berekenen aan de hand van haar inkomen in 2024. In 2024 ontving de moeder een ziektewetuitkering van, blijkens de jaaropgave, € 35.558,- bruto. Bij het berekenen van het NBI ten behoeve van de bepaling van de draagkracht van de moeder houdt het hof rekening met de algemene heffingskorting en het door de moeder ontvangen kindgebonden budget. Uitgaande hiervan berekent het hof het NBI van de moeder op € 2.532,- per maand. De draagkracht van de moeder bedraagt dan € 351,- per maand op basis van de onder r.o. 5.11 vermelde formule.
Draagkrachtvergelijking
De totale draagkracht van de ouders bedraagt (€ 178,- + € 351,- =) € 529,- per maand. De geïndexeerde behoefte van [minderjarige] bedraagt, zoals hiervoor onder 5.9 vermeld, € 350,- per maand. Er is daarom aanleiding een draagkrachtvergelijking te maken. Het hof zal de verdeling van de kosten van [minderjarige] over beide ouders berekenen volgens de formule: ieders draagkracht gedeeld door de totale draagkracht vermenigvuldigd met de behoefte, ofwel:
het deel van de vader bedraagt: € 178,- / € 529,- x € 350,- = € 118,-
het deel van de moeder bedraagt: € 351,- / € 529,- x € 350,- = € 232,-.
Het hof zal geen rekening houden met een zorgkorting nu de vader geen omgang heeft met [minderjarige] en het ook onduidelijk is of, en zo ja op welke termijn, dit gaat gebeuren.
Het voorgaande betekent dat de vader een kinderbijdrage verschuldigd is van € 118,- per maand met ingang van 22 oktober 2024. De kinderbijdrage dient te worden geïndexeerd per 1 januari 2025 en vervolgens weer per 1 januari 2026 en zo verder. Dit betekent dat de kinderbijdrage voor [minderjarige] per 1 januari 2025 geïndexeerd € 126,- per maand bedraagt en per 1 januari 2026 € 131,- per maand.
Het hof zal de bestreden beschikking gelet op het voorgaande ook op het punt van het maandelijks te betalen bedrag aan kinderalimentatie vernietigen.
Ter zitting in hoger beroep heeft de vader aangegeven dat hij een aantal keer een bedrag voor [minderjarige] heeft overgemaakt aan de moeder. Voor zover dit juist is strekken deze door de vader betaalde bedragen in mindering op de door het hof bepaalde kinderbijdrage.
Proceskosten
De moeder heeft verzocht de vader te veroordelen in de proceskosten van de procedure. Volgens de moeder heeft de vader nagelaten zijn financiële stukken in te dienen en ook nu geeft hij geen volledige inzage. De vader jaagt de moeder hiermee op onnodig hoge juridische kosten. De vader stelt zich op zijn beurt op het standpunt dat dit verzoek moet worden afgewezen omdat sprake is van een procedure van familierechtelijke waard waarbij het gebruikelijk is de kosten te compenseren.
Het hof zal de proceskosten in hoger beroep compenseren vanwege de familierechterlijke aard van de zaak. Het hof ziet in hetgeen de moeder naar voren heeft gebracht geen aanleiding om van dit uitgangspunt af te wijken.
Aanhechten berekeningen
Het hof heeft een behoefteberekening en een draagkrachtberekening gemaakt. Exemplaren van deze berekeningen zijn aan deze beschikking gehecht.
Dit alles leidt tot de volgende beslissing.
6. De beslissing
Het hof:
vernietigt de beschikking waarvan beroep in zoverre en opnieuw rechtdoende:
bepaalt de door de vader te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] met ingang van 22 oktober 2024 op € 118,- (zegge: HONDERDACHTTIEN euro) per maand, toekomstige termijnen telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
compenseert de kosten van het geding in hoger beroep in die zin, dat iedere partij de eigen kosten draagt;
wijst het in hoger beroep meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. R.M. Troost, mr. J.M.C. Louwinger-Rijk en mr. P.J.W.M. Sliepenbeek, in tegenwoordigheid van mr. S.G. Risseeuw als griffier en is op 22 september 2026 in het openbaar uitgesproken door de voorzitter.