afdeling strafrecht
parketnummer: 23-000421-23
datum uitspraak: 27 augustus 2026
TEGENSPRAAK
Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 26 januari 2023 op de vordering van het openbaar ministerie ingevolge artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) in de ontnemingszaak met nummer 13-728018-20 tegen de betrokkene:
[betrokkene] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1994,
gedetineerd in [detentieadres] .
Procesgang
Het openbaar ministerie heeft in eerste aanleg (in afwijking van de oorspronkelijke schriftelijke vordering van € 1.749.271,93) gevorderd het door de betrokkene verkregen wederrechtelijk voordeel en het aan de Staat te betalen bedrag vast te stellen op een bedrag van € 1.223.015,45.
De betrokkene is bij vonnis van de rechtbank Amsterdam van 26 januari 2023 - kort gezegd - veroordeeld ter zake van (het medeplegen van) witwassen van contant geld en luxegoederen.
Verder heeft de rechtbank Amsterdam bij vonnis van diezelfde datum het wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld op € 996.926,36 en de betrokkene de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 758.183,41 ter ontneming van dat voordeel.
De betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen dit ontnemingsvonnis.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 16 juli 2026 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de betrokkene en de raadsman naar voren hebben gebracht.
Vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot andere beslissingen komt dan de rechtbank.
Schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel
Het standpunt van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het wederrechtelijk verkregen voordeel dient te worden geschat op een bedrag van € 1.075.680,89.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft, overeenkomstig de inhoud van zijn aan het hof overgelegde pleitnota, zich op het standpunt gesteld dat in de eenvoudige kasopstelling hoogstens de volgende uitgaven kunnen worden meegenomen. Het hof stelt vast dat er discrepanties zitten tussen de uitgeschreven verweren van de raadsman en de tabel onder het kopje ‘Conclusie’. Voor het overzicht heeft het hof de tabel overgenomen en de bedragen die afwijken van hetgeen de raadsman heeft aangevoerd, aangepast. Daarnaast heeft het hof post E toegevoegd:
Als de kasopstelling voor het overige hetzelfde blijft, komt de raadsman tot een wederrechtelijk verkregen voordeel van € 848.496,20.
Het oordeel van het hof
Grondslag van de vordering
De vordering van het Openbaar Ministerie is gebaseerd op een eenvoudige kasopstelling zoals opgenomen in de ontnemingsrapportage en de aanvulling daarop.
Ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel kan plaatsvinden op grond van artikel 36e lid 3 Sr als – kort gezegd – aannemelijk is dat het misdrijf waarvoor veroordeelde is veroordeeld of andere strafbare feiten er op enigerlei wijze toe hebben geleid dat veroordeelde wederrechtelijk voordeel heeft verkregen. Omdat uit de kasopstelling en het onderzoek naar de vermogenspositie van veroordeelde blijkt dat veroordeelde in de relevante periode uitgaven heeft gedaan die niet met zijn legale inkomsten kunnen worden verklaard, is het aannemelijk dat het bewezenverklaarde misdrijf of andere strafbare feiten hebben geleid tot wederrechtelijk voordeel.
In voornoemde kasopstelling is voor de periode van 1 januari 2017 tot en met 3 februari 2020 berekend hoeveel contant geld veroordeelde heeft uitgegeven (onderdelen A t/m S) en welk deel daarvan kan worden verklaard uit contant geld dat veroordeelde al had of dat hij legaal heeft verkregen. Uitgaven die niet daardoor kunnen worden verklaard, worden als wederrechtelijk verkregen voordeel aangemerkt. Het hof zal deze kasopstelling, die is gebaseerd op wettige bewijsmiddelen, als uitgangspunt nemen. De onderdelen uit de ontnemingsrapportage waarover tussen het Openbaar Ministerie en de verdediging naar aanleiding van de conclusiewisselingen en terechtzitting in hoger beroep nog discussie bestaat, zullen hieronder worden besproken.
Onderdelen J en O
Ten aanzien van de onderdelen J en O overweegt het hof als volgt en neemt daarbij – nu het niet tot andere oordelen komt op deze onderdelen – de volgende overwegingen over van de rechtbank:
Onderdeel J: De overige kleding en schoenen uit het onderzoek [naam 2]
De raadsman heeft bij conclusie van dupliek een tweede set aanschafbonnen en rekeningafschriften ingediend ter onderbouwing van de stelling dat veroordeelde en/of zijn partner [persoon 1] (hierna: [persoon 1] ) de in beslag genomen kleding als gift heeft/hebben gekregen en hij deze niet zelf, en ook niet contant heeft aangekocht. De rechtbank stelt vast dat meerdere bankafschriften zien op creditcards en bankrekeningen die op naam zijn gesteld van andere personen dan veroordeelde, te weten [persoon 2] , de moeder van [persoon 1] , en [bedrijf 2] en dat de kassabonnen op naam zijn gesteld van [persoon 2] , [persoon 1] , [persoon 3] en [persoon 4] .
De officier van justitie verzet zich tegen het in mindering brengen van de bedragen op de bij conclusie van dupliek overgelegde aanschafbonnen en rekeningafschriften op het wederrechtelijk verkregen voordeel, omdat volstrekt onduidelijk is waarom deze personen/vennootschappen [persoon 1] toegang zouden hebben gegeven tot hun creditcards/betaalrekeningen. Het is ook niet aannemelijk dat een ander deze goederen voor veroordeelde en/of [persoon 1] heeft gekocht.
De rechtbank volgt de raadsman in het standpunt dat de waarde van de door de partner van veroordeelde, [persoon 1] , en/of haar moeder - al dan niet via het bedrijf [bedrijf 2] dat kennelijk aan de moeder van [persoon 1] toebehoort - betaalde goederen moet worden afgetrokken van het wederrechtelijk verkregen voordeel. De officier van justitie is eerder bij conclusie van repliek wel akkoord gegaan met dit standpunt, nadat de verdediging bij conclusie van antwoord aanschafbonnen op naam van moeder [persoon 2] had overgelegd en niet is toegelicht waarom het Openbaar Ministerie van gedachte is veranderd. In navolging van dat eerdere standpunt vermindert de rechtbank ook nu de voordeelsberekening met de aanschafwaarde van de goederen waarvan bij conclusie van dupliek aanschafbonnen en rekeningafschriften op naam van moeder [persoon 2] dan wel [bedrijf 2] zijn overgelegd. Dit geldt echter niet voor waarde van de goederen waarvan is gebleken dat deze zijn betaald door [persoon 3] en [persoon 4] of aankopen die zijn vermeld op een rekeningafschrift waarop geen tenaamstelling is te zien, omdat ten aanzien van deze goederen geen enkele link met veroordeelde of zijn partner te vinden is.
Dit leidt ertoe dat op het in de voordeelsberekening opgenomen bedrag aan contante uitgaven voor kleding en schoenen die zijn aangetroffen bij veroordeelde en/of [persoon 1] in het kader van onderzoek [naam 2] (€ 38.454,00) naast het eerder vastgestelde met bonnen op naam van de moeder van [persoon 1] onderbouwde aankoopbedrag van € 9.290,20 aan kleding, een aanvullend bedrag van € 19.733,- in mindering wordt gebracht. De rechtbank is bij deze berekening uitgegaan van de wisselkoers ten tijde van de aanschaf van de verschillende kleding.
Onderdeel O: De horloges van [naam 6]
De raadsman vindt dat op basis van de verklaring van [naam 6] ervan moet worden uitgegaan dat veroordeelde zeven horloges van € 30.000,- per stuk van hem heeft gekocht. [naam 6] heeft in augustus 2020 verklaard dat veroordeelde al tussen de drie en vijf jaar klant van hem is. De zeven horloges zouden volgens [naam 6] zijn aangeschaft in de (totale) periode-dat veroordeelde klant bij hem was. Omdat de onderzoeksperiode waarop de kasopstelling betrekking heeft, is aangevangen op 1 januari 2017 is het aannemelijk dat minst genomen een deel van de zeven horloges is aangeschaft buiten de onderzoeksperiode. Van de vijfjaar (60 maanden) liggen 37 maanden in de onderzoeksperiode (37/60 = 61,7%). Aannemelijk is dus dat veroordeelde in de onderzoeksperiode vier horloges heeft aangeschaft (0,617 x 7 = 4,3), wat betekent dat drie van de zeven aangeschafte horloges niet moeten worden meegenomen.
[naam 6] heeft verklaard dat hij nog € 28.000,- van veroordeelde krijgt. € 15.750,- hiervan ziet niet op reparaties of onderdelen. [naam 6] heeft ook verklaard dat het Pepsi horloge en één ander horloge nog niet door veroordeelde zijn betaald. Omdat de precieze aanschafwaarde van de horloges niet bekend is, moet worden uitgegaan van de gemiddelde aanschafwaarde van € 30.000,- per stuk. Deze waarde van de horloges en het bedrag van € 15.750,- moeten in mindering worden gebracht op de voordeelsberekening.
De officier van justitie gaat op basis van de verklaring van [naam 6] uit van een periode waarin veroordeelde horloges heeft gekocht van vier jaren (24 augustus 2016 tot 24 augustus 2020) oftewel 48 maanden. De periode tussen 24 augustus 2016 en 1 januari 2017 (start ontnemingsperiode) bedraagt 0,36 jaren ofwel 4,23 maanden. Gelet op de verklaring van [naam 6] kocht veroordeelde gemiddeld 2,25 horloges per jaar (9 horloges/4 jaar = 2,25). Aannemelijk is dat veroordeelde gedurende de ontnemingsprocedure minimaal zes horloges kocht bij [naam 6] (3 jaren x 2,25 = 6,75 horloges) met een gemiddelde aanschafwaarde van € 30.000,-. Het gaat dus om een uitgave van 6 x € 30.000,- = € 180.000, Het bedrag van € 28.000,- dat veroordeelde nog aan [naam 6] moet betalen heeft blijkens een chatbericht betrekking op uitgevoerde reparaties. In het voordeel van veroordeelde zijn de vele reparaties niet meegenomen in de berekening. Daarom verzet de officier van justitie zich tegen het in mindering brengen van een deel van dit bedrag ter hoogte van € 15.750,-. Tijdens de doorzoeking in de woning van [persoon 5] werd een Pepsi horloge aangetroffen. Op de website [website] werden in 2020 vele Pepsi horloges aangeboden tussen de € 7.803,- en € 46.181,-. Vermoedelijk werd er dus ongeveer € 11.250,- voor het Pepsi horloge betaald. Gelet op de verklaring van [naam 6] dat het Pepsi horloge en één ander horloge niet zijn betaald moeten bedragen van € 11.250, en € 30.000,- in mindering worden gebracht. Daarmee is het aannemelijk dat veroordeelde in de onderzoekperiode verschillende horloges bij [naam 6] heeft gekocht tegen contante betaling van € 138.750,- (€ 180.000 - € 11.250 - € 30.000).
De rechtbank gaat er op basis van de verklaring van [naam 6] vanuit dat veroordeelde over een periode van vijf jaar zeven horloges heeft aangeschaft. Omdat niet met voldoende zekerheid is vast te stellen wanneer deze horloges precies gekocht zijn, gaat de rechtbank uit van het voor veroordeelde meest gunstige scenario. Dit betekent dat de rechtbank de verdediging volgt in de aanname dat veroordeelde in de onderzoeksperiode vier horloges van gemiddeld € 30.000,- heeft gekocht met een totale waarde van € 120.000,-. Voor twee van die horloges had veroordeelde volgens [naam 6] nog niet betaald. De officier van justitie gaat ervan uit dat het niet betaalde Pepsi horloge een aanschafwaarde van € 11.250,- had. De rechtbank vindt dat de door het Openbaar Ministerie genoemde bandbreedte van prijzen tussen € 7.803,- en € 46.181,- daarvoor geen onderbouwing is. De rechtbank zal, uitgaande van een gemiddelde prijs van € 30.000,- per stuk, € 60.000,- in mindering brengen op de voordeelsberekening voor de twee niet betaalde horloges.
Met de officier van justitie en de raadsman is de rechtbank van oordeel dat op basis van de chatconversatie tussen veroordeelde en [naam 6] aannemelijk is dat een deel van de openstaande schuld van € 28.000 aan [naam 6] op uitgevoerde reparaties ziet. Uit de chat kan echter niet worden afgeleid dat dit zou gaan om het bedrag van € 15.750,-. [naam 6] is ook niet over dit specifieke bedrag gehoord. Dat zo’n hóóg bedrag terug te voeren is op door [naam 6] verrichte reparaties is daarom niet aannemelijk geworden. Daarom wordt ook dit bedrag in mindering gebracht op de voordeelsberekening. Dit betekent dat in totaal (€ 30.000,- + € 30.000,- + € 15.750,- =) € 75.750,- op de totale contante uitgaven aan [naam 6] van € 120.000,- in mindering wordt gebracht en dat het geschatte voordeel voor dit onderdeel € 44.250,- bedraagt.
Onderdelen C en N
De raadsman heeft het hof verzocht hetgeen de rechtbank heeft overwogen ten aanzien van onderdeel N – inhoudende dat het niet aannemelijk is dat de betrokkene contante betalingen aan [bedrijf 1] Inc. heeft gedaan – ook volledig toe te passen op onderdeel C. Het dossier bevat immers concrete en duidelijke aanwijzingen dat contante betalingen bij voornoemd Amerikaans bedrijf niet mogelijk zijn. Het is (en blijft) de verantwoordelijkheid van het openbaar ministerie om concrete aanwijzingen aan te dragen dat contante betalingen zijn gedaan. Het enkele gebrek aan aanwijzingen dat giraal is betaald, is daarvoor volgens de raadsman onvoldoende.
Het openbaar ministerie heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep op het standpunt gesteld dat het niet anders kan zijn dan dat de betrokkene de sieraden (onderdelen C en N) direct of indirect contant heeft betaald. Daartoe is aangevoerd dat vast staat dat de sierraden door de verdachte zijn besteld en voor hem waren bestemd en gesteld noch gebleken is dat ze aan hem zijn geschonken. Omdat blijkt dat hij het niet via één van zijn bankrekeningen heeft betaald, is er dus maar één conclusie mogelijk: de betrokkene heeft de sieraden contant betaald. Op filmpjes op YouTube is te zien dat dit – anders dan door de verdediging is bepleit - ook mogelijk is.
Het hof overweegt als volgt.
De ontnemingsprocedure kenmerkt zich er door dat de bewijslast op redelijke en billijke wijze wordt verdeeld tussen het openbaar ministerie en de betrokkene. Als het openbaar ministerie aan de primaire bewijslast heeft voldaan, is het aan de betrokkene om concreet en gemotiveerd, en zo nodig door bescheiden gestaafd, tegenover de door het openbaar ministerie gepresenteerde en op wettige bewijsmiddelen gebaseerde berekening aannemelijk te maken dat die berekening niet juist is. Een enkele bewering is daartoe niet voldoende.
De betrokkene heeft ter terechtzitting in hoger beroep enkel verklaard dat de sieraden niet contant zijn betaald. Daarnaast heeft de betrokkene uitdrukkelijk gezegd er verder niks over te willen verklaren. Gelet op de hiervoor genoemde redelijke en billijke verdeling van de bewijslast die in ontnemingszaken geldt, was het aan de verdediging om genoemde stelling aannemelijk te maken. Gelet op de inhoud van het dossier, is het hof van oordeel dat de verdediging de stelling dat de sieraden niet contant zijn betaald, onvoldoende concreet en gemotiveerd heeft onderbouwd.
Bij deze stand van zaken komt het hof tot het oordeel dat het niet anders kan zijn dat de betrokkene de sieraden (middellijk) contant heeft betaald.
Het hof komt op basis van de ontnemingsrapportage, de ingenomen standpunten en de hiervoor getrokken conclusies tot de volgende contante uitgaven in euro’s:
Dit levert de volgende berekening van het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel op:
Het hof concludeert uit het voorgaande dat de betrokkene wederrechtelijk voordeel heeft genoten, geschat op een bedrag van in totaal € 1.147.225,61.
Verplichting tot betaling aan de Staat
De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep gevorderd dat aan de betrokkene de verplichting wordt opgelegd tot betaling aan de staat van € 656.487,94 ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.
De raadsman heeft het hof verzocht de totale waarde van de verbeurdverklaringen van pagina’s 1 t/m 20 ad € 411.478,00, aangevuld met de hogere waarde van 3 horloges ad € 37.876,46 en de verbeurdverklaringen van de eerder ontbrekende pagina 21 ad € 4.514,20 (= € 453.868,66) in mindering te brengen op het wederrechtelijk verkregen voordeel.
Daarnaast dient het hof rekening te houden met de overschrijding van de redelijke termijn, in die zin dat een korting van 20 procent moet worden toegepast.
Verbeurdverklaringen
Het hof neemt het beslagoverzicht – overgelegd door de advocaat-generaal ter terechtzitting in hoger beroep en bestaande uit 21 pagina’s – als uitgangspunt. Het hof is het met de raadsman eens dat van drie horloges op deze lijst de volledige aanschafwaarde moet worden meegenomen en niet de executiewaarde. Daarnaast zal het hof de geldbedragen die in beslag zijn genomen onder onderdelen A, F, F, en I meenemen in het bedrag dat in mindering moet worden gebracht op het wederrechtelijk verkregen voordeel.
Het hof komt tot de volgende optelsom:
Redelijke termijn
Het hof stelt ten slotte vast dat het recht van de betrokkene om binnen een redelijke termijn te worden berecht, als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), is geschonden. Als uitgangspunt geldt dat de berechting van de zaak in hoger beroep behoort te zijn afgerond met een einduitspraak binnen twee jaren nadat het rechtsmiddel is ingesteld. Op 8 februari 2023 is namens de betrokkene hoger beroep ingesteld. Het hof doet bij arrest van 27 augustus 2026 einduitspraak. Hieruit volgt dat in hoger beroep sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn van ruim 1 jaar en 6 maanden. Het hof ziet in deze forse overschrijding aanleiding om de verplichting tot betaling aan de Staat te matigen met € 5.000,00. Het hof ziet geen aanleiding voor een verdere matiging zoals door de raadsman bepleit.
Aan de betrokkene dient, ter ontneming van het door hem wederrechtelijk verkregen voordeel, de verplichting te worden opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van (1.147.225,61 - 453.868,94 - 5.000 =) € 688.356,67.
Toepasselijk wettelijk voorschrift
De op te leggen maatregel is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Stelt het bedrag waarop het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op een bedrag van € 1.147.225,61 (eenmiljoen honderdzevenenveertigduizend tweehonderdvijfentwintig euro en eenenzestig cent).
Legt de betrokkene de verplichting op tot betaling aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel van een bedrag van € 688.356,67 (zeshonderdachtentachtigduizend driehonderdzesenvijftig euro en zevenenzestig cent).
Bepaalt de duur van de gijzeling die ten hoogste kan worden gevorderd op 1080 dagen.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. A.P.M. van Rijn, mr. M.F.J.M. de Werd en mr. B.E. Dijkers, in tegenwoordigheid van
mr. C. van der Laan, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van
30 juli 2026.
=========================================================================
[…]