GERECHTSHOF AMSTERDAM
afdeling civiel recht en belastingrecht
team I (handel)
zaaknummer : 200.347.976/01
zaaknummer rechtbank Noord-Holland : C/15/347014 / HA ZA 23-679
arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 22 september 2026
in de zaak van
[appellant] .,
gevestigd te [plaats 1] ,
appellante,
advocaat: mr. B.A.S. van Leeuwen te Utrecht,
tegen
[geïntimeerde] .,
gevestigd te [plaats 2] ,
geïntimeerde,
advocaat: mr. S.F. Coelingh Bennink te Alkmaar.
Partijen worden hierna [appellant] en [geïntimeerde] genoemd.
1. De zaak in het kort
Een transportbedrijf vordert een verklaring voor recht dat zij facturen voor brandstofafnames niet hoeft te betalen vanwege fraude/misbruik van tankpassen, die te wijten zou zijn aan betrokkenheid van de brandstofleverancier bij dat misbruik, dan wel schending van een zorgplicht door de brandstofleverancier. De rechtbank heeft de vordering afgewezen, omdat de verwijten onvoldoende zijn onderbouwd, het transportbedrijf zelf onzorgvuldig met de tankpassen is omgesprongen, en op grond van de algemene voorwaarden die tussen partijen gelden het risico van misbruik voor rekening van het transportbedrijf komt. Het hof komt tot dezelfde slotsom als de rechtbank, bekrachtigt het bestreden vonnis en wijst af wat verder is gevorderd.
2. Het geding in hoger beroep
[appellant] is bij dagvaarding van 5 november 2024 in hoger beroep gekomen van een vonnis van 14 augustus 2024 van de rechtbank Noord-Holland zittingsplaats Haarlem, onder bovenvermeld zaaknummer gewezen tussen [appellant] als eiseres en [geïntimeerde] als gedaagde (hierna: het bestreden vonnis).
Bij tussenarrest van 3 december 2024 is een mondelinge behandeling na aanbrengen gelast, die op 27 februari en 22 mei 2025 heeft plaatsgevonden. Het proces-verbaal van die zittingen bevindt zich bij de stukken.
Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:
- memorie van grieven, met producties;
- memorie van antwoord.
Ten slotte is arrest gevraagd.
3. Feiten
Het hof gaat uit van de volgende feiten.
[appellant] is een transportbedrijf met diverse voertuigen.
[appellant] neemt brandstof voor haar voertuigen af bij tankstations van [geïntimeerde] . Daarbij maakt [appellant] gebruik van door [geïntimeerde] aan haar verstrekte tankpassen op basis van een overeenkomst. [appellant] heeft de op dit gebruik toepasselijke algemene voorwaarden van [geïntimeerde] retail B.V. in het geding gebracht. In deze algemene voorwaarden staan onder meer de volgende bepalingen:
“(…)
Artikel 2: Gebruik van de tankpas en/of PIN
De deelnemer staat er jegens [geïntimeerde] voor in dat de tankpas wordt gebruikt door de daartoe geëigende personen en in de daartoe bestemde voertuigen (…).
De deelnemer staat er jegens [geïntimeerde] voor in dat de tankpas (…) met de grootst mogelijke zorg wordt bewaard. Dit houdt, onder meer, in dat de tankpas nimmer in het betreffende motorvoertuig wordt achtergelaten dan wel ter beschikking wordt gesteld aan derden.
Per tankpas wordt een geheim Persoonlijk Identificatie Nummer (“PIN”) verstrekt aan de deelnemer. (…)
De deelnemer staat er jegens [geïntimeerde] voor in dat hij de grootst mogelijke zorg betracht voor de geheimhouding van de PIN. Hij mag deze slechts bekend maken aan de bestuurders van de betreffende motorvoertuigen. (…)
De deelnemer staat jegens [geïntimeerde] in voor een juist en zorgvuldig gebruik van en omgang met de tankpas en/of de daarbij behorende PIN.
Vanaf het moment van verstrekking van de PIN is de deelnemer aansprakelijk voor alle verplichtingen voortvloeiend uit het gebruik van de tankpas met PIN.
(…)
Artikel 4: Producten en diensten
(…)
De deelnemer is verantwoordelijk voor controle op de juistheid van de op de tankpas vermeld aankoopcategorieën en het type aanduiding door na te gaan of deze in overeenstemming zijn met het betreffende aanvraagformulier. Door middel van ingebruikname van de tankpas, met of zonder PIN, is de deelnemer aansprakelijk voor de met tankpas of PIN gedane transacties, zulks ongeacht de aanvraag.
(…)
Artikel 7: Verlies, diefstal en/of misbruik
(…)
De deelnemer is tot het tijdstip van melding bij [geïntimeerde] volledig aansprakelijk voor elke transactie die is uitgevoerd na of als gevolg van verlies, diefstal, of misbruik. Deze beperking van de aansprakelijkheid is niet van toepassing indien de deelnemer of de gebruiker in strijd met het bepaalde van deze voorwaarden of frauduleus heeft gehandeld. Hieronder vallen met name, maar zonder daartoe beperkt te zijn, ook die gevallen waarbij de tankpas in combinatie met de bijbehorende PIN code is bewaard of de deelnemer verzuimd heeft de transacties nauwkeurig te volgen.
(…)”.
Tot juli 2022 betaalde [appellant] de getankte hoeveelheid brandstof door middel van automatische incasso aan [geïntimeerde] . Vanaf juli 2022 heeft [appellant] op verzoek van [geïntimeerde] de nota’s wekelijks zelf betaald. [appellant] ontvangt sindsdien wekelijks een factuur met daarop de brandstofopnames met het betreffende tankpasnummer, de datum en het tijdstip van de afname en de tanklocatie.
Via een online portal kan [appellant] tussentijds het gebruik van de aan haar verstrekte tankpassen controleren.
In augustus 2022 heeft [appellant] bemerkt dat de nota’s voor afgenomen brandstof veel hoger dan gebruikelijk waren.
[appellant] heeft contact opgenomen met haar contactpersoon bij [geïntimeerde] , de heer [naam 1] (hierna: [naam 1] ). Deze verklaarde dat [geïntimeerde] camerabeelden zou onderzoeken. Uit dat onderzoek kwam naar voren dat een van de tankstations waar de grootste brandstofafnames hebben plaatsgevonden is gevestigd bij [bedrijf] (hierna: [bedrijf] ).
[naam 1] heeft de camerabeelden opgevraagd bij [bedrijf] en van die beelden met zijn telefoon videobeelden gemaakt die hij heeft laten zien aan [appellant] . Uit die beelden heeft [appellant] geconcludeerd dat er sprake is geweest van brandstofafnamen door anderen dan medewerkers van [appellant] .
Naar aanleiding van de videobeelden heeft de directeur van [appellant] op 8 september 2022 aangifte gedaan bij de politie. In het proces-verbaal van aangifte staat onder meer het volgende:
“(…)
Ik ben eigenaar van het bedrijf [appellant] . Het bedrijf bezit ongeveer 40 bestelbusjes en voor deze bestelbusjes gebruiken de hoofdchauffeurs tankpassen van de firma [geïntimeerde] . Er zijn ongeveer 20 van deze in tankpassen in omloop.
Deze passen zijn niet gekoppeld aan een voertuig, maar aan een hoofdchauffeur die in dienst is van het transportbedrijf.
Op woensdag 10 augustus 2022 controleerde ik ’s middags een factuur die wij van [geïntimeerde] ontvingen. Het viel mij op dat er met tankpas kaartnr. [nummer] van chauffeur [naam 2] 13 een aantal malen op dezelfde dag getankt was bij een tankstation in Uitgeest. Normaal gesproken wordt er bij dit tankstation niet regelmatig getankt, daardoor viel het mij op. Ik zocht verder terug en ontdekte dat met deze pas voor het eerst getankt werd op 4 mei 2022. Er werd steeds getankt bij een tankstation in Uitgeest of Limmen. Ik blokkeerde direct deze tankpas.
Ik belde naar de hoofdchauffeur die hoorde bij betreffende pas. De chauffeur is genaamd [naam 2] . Ik hoorde dat hij zei dat deze tankpas vermoedelijk bij een andere chauffeur was. Hij wist niet meer welke chauffeur deze tankpas nu in zijn bezit had. Ik vroeg alle andere chauffeurs naar deze tankpas, maar niemand had deze in zijn bezit.
Twee dagen later ontdekte de planner van mijn bedrijf bij controle van de facturen dat er met nog een tankpas gefraudeerd was. Met tankpas kaartnr. [nummer] / [naam 2] 14 werd ook bij tankstations in Uitgeest en Limmen getankt. Dit werd niet door één van mijn chauffeurs gedaan. Ook deze tankpas blokkeerden we.
(…)
Beide tankpassen werden niet gemist. De hoofdchauffeurs beschikken over meerdere tankpassen waarmee ze met verschillende voertuigen kunnen tanken. Daarvoor viel het niet op dat deze tankpassen weg waren. Sommige hoofdchauffeurs dragen de tankpas bij zich, anderen laten de tankpas in de bestelbus liggen.
(…)
Wij ontdekten op 9 augustus om 02.40 met tankpas kaartnr. [nummer] / [naam 2] 11 getankt was bij Esso Amsterdam Utrecht. Ik vroeg mijn chauffeur op 9 september 2022 naar deze tankpas. Deze had de chauffeur in zijn bezit en de tankpas gaf hij aan mij. De tankpas werd niet vermist. Blijkbaar werd een kopie van deze tankpas gebruikt.
Bij iedere tankpas hoort een eigen pincode. Het is mij niet bekend hoe de fraudeur aan de pincode kwam. Wij hebben in de periode van mij tot aan de ontdekking in augustus 2022 wel een aantal personen op proef in dienst gehad, die maar een aantal dagen meereden met een vaste chauffeur. Dit waren in vier maanden tijd misschien wel 30 personen.
Ik telde de bedragen niet op. Ik vermoed dat er in totaal voor ongeveer 25.000,00 euro getankt werd met deze passen.
(…)”.
[geïntimeerde] heeft [appellant] vervolgens laten weten dat [naam 1] niet langer haar contactpersoon was. Als reden werd opgegeven dat [naam 1] werd bedreigd door de personen die de brandstof hadden afgenomen met de tankpas.
[appellant] heeft [geïntimeerde] en [bedrijf] verzocht om de videobeelden te verstrekken. Aan dit verzoek hebben [geïntimeerde] en [bedrijf] niet voldaan.
Na daartoe verkregen verlof heeft [appellant] op 28 september 2022 conservatoir bewijsbeslag op elektronische gegevensdragers en digitale data laten leggen onder [geïntimeerde] en [bedrijf] .
In de procedure heeft [appellant] bij incidentele vordering op grond van artikel 843a Rv (oud) gevorderd de inbeslaggenomen gegevens, waaronder foto’s en video’s van de brandstofafnames te verstrekken. De rechtbank heeft bij vonnis van 20 maart 2024 de vordering ten aanzien van [bedrijf] afgewezen. Ten aanzien van [geïntimeerde] heeft de rechtbank bepaald dat een medewerker van DigJuris B.V. de onder [geïntimeerde] inbeslaggenomen bewijsstukken zal onderzoeken op aanwezigheid van a) foto’s en videofragmenten waarin brandstofafnames te zien zijn met gedeeltelijke of volledige zichtbaarheid van personen en auto’s met kentekens over de periode mei tot en met december 2022, die corresponderen met de tijdstippen van de brandstofafnames genoemd in productie 2 bij de dagvaarding en b) correspondentie tussen [geïntimeerde] en [bedrijf] waarin [appellant] wordt genoemd dan wel waarin beeldmateriaal van de onder a) bedoelde brandstofopnames is opgenomen en dat indien DigiJuris B.V. bestanden met die informatie aantreft, zij deze aan [appellant] ter beschikking zal stellen.
[geïntimeerde] heeft [appellant] € 137.277,39 aan facturen gestuurd voor met de tankpassen afgenomen brandstof.
4. Procedure bij de rechtbank
[appellant] heeft bij de rechtbank gevorderd om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, voor recht te verklaren dat [appellant] niet heeft getankt op de data en tijdstippen als genoemd in productie 2 en derhalve een bedrag van € 96.382,84 door [geïntimeerde] niet opeisbaar is, en [geïntimeerde] en [bedrijf] te veroordelen tot betaling van buitengerechtelijke kosten en de daadwerkelijke proceskosten, inclusief beslag- en nakosten.
De rechtbank heeft de vorderingen van [appellant] afgewezen en haar in de proceskosten veroordeeld. Samengevat heeft de rechtbank vastgesteld dat de gevorderde verklaring voor recht niet op [bedrijf] is gericht, en heeft zij geoordeeld dat [appellant] onvoldoende heeft onderbouwd dat [geïntimeerde] een zorgplicht heeft geschonden dan wel betrokken was bij de gestelde fraude/misbruik van de tankpassen. Ook is [appellant] zelf onzorgvuldig met de tankpassen omgesprongen. Op grond van de algemene voorwaarden van [geïntimeerde] komt het risico van fraude met de tankpassen voor rekening van [appellant] . [appellant] moet de facturen van [geïntimeerde] betalen.
5. Vordering in hoger beroep
[appellant] is in hoger beroep gekomen tegen (alleen) [geïntimeerde] . Zij vordert vernietiging van het bestreden vonnis en alsnog – uitvoerbaar bij voorraad – toewijzing van haar vorderingen tegen [geïntimeerde] en veroordeling van [geïntimeerde] tot terugbetaling van al hetgeen zij ter uitvoering van het bestreden vonnis aan [geïntimeerde] heeft voldaan, met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van het geding in beide instanties, met nakosten en rente.
Volgens [geïntimeerde] moet het hof de vorderingen van [appellant] afwijzen en het vonnis bekrachtigen, met – uitvoerbaar bij voorraad – veroordeling van [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep.
6. Beoordeling
Het hof zal beslissen dat het hoger beroep niet slaagt, en zal het bestreden vonnis bekrachtigen. Hierna legt het hof uit hoe het tot deze beslissing is gekomen. De grieven (bezwaren) van [appellant] worden daarbij thematisch behandeld.
Het hof stelt voorop dat [geïntimeerde] zowel in eerste aanleg als in hoger beroep heeft aangevoerd dat [appellant] niet ontvankelijk is in haar vorderingen omdat zij de verkeerde partij heeft gedagvaard. [geïntimeerde] heeft gesteld dat [appellant] niet met haar maar met [geïntimeerde] retail B.V. een overeenkomst heeft gesloten. Zij heeft erop gewezen dat dit blijkt uit de tenaamstelling van de facturen, uit de algemene voorwaarden van [geïntimeerde] retail B.V. en het aanvraagformulier waaruit volgt dat [appellant] bij [geïntimeerde] retail B.V. tankpassen afneemt. [appellant] heeft dit in eerste aanleg niet betwist en in de memorie van grieven – terwijl dit verweer haar bekend was – ook niet, en uit de genoemde, in het geding gebrachte, stukken volgt dit ook. Hierop strandt reeds het hoger beroep van [appellant] .
Ook als aan dit verweer van [geïntimeerde] voorbij wordt gegaan, slaagt het hoger beroep, om de hierna volgende redenen, evenmin.
De omvang van het hoger beroep
[appellant] herhaalt in hoger beroep dat zij van de door [geïntimeerde] gestuurde facturen van in totaal € 137.277,39 een bedrag van € 96.382,84 niet hoeft te betalen, omdat zij voor dat bedrag geen brandstof heeft afgenomen. Volgens [appellant] is er sprake van ‘interne brandstoffraude’ binnen [geïntimeerde] . Ook heeft [geïntimeerde] haar (verhoogde) zorgplicht geschonden onder meer door [appellant] niet te informeren over abnormale transacties en geen maatregelen te nemen terwijl zij wist dat er met de tankpassen werd gefraudeerd en door geen adequaat mechanisme te hebben om misbruik op te sporen. [geïntimeerde] heeft ook onterecht voordeel behaald ten koste van [appellant] . De fraude met de tankpassen moet voor rekening van [geïntimeerde] komen. Het beroep van [geïntimeerde] op de overeenkomst en haar algemene voorwaarden moet falen omdat een redelijke uitleg meebrengt dat [geïntimeerde] niet alle risico’s van misbruik van de tankpassen door derden bij [appellant] kan leggen. In ieder geval is een beroep van [geïntimeerde] daarop naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar. Nu alle relevante gegevens zoals videobeelden en correspondentie zich in het domein van [geïntimeerde] bevinden is de bewijslast met betrekking tot de rechtmatigheid van de transacties ten onrechte bij [appellant] gelegd. Althans had [appellant] , mede gelet op het conservatoir bewijsbeslag, door de rechtbank in de gelegenheid gesteld moeten worden om bewijs te leveren met getuigen.
[geïntimeerde] voert – kort gezegd – aan dat de fraude en de omvang ervan niet zijn aangetoond en dat zij zorgvuldig heeft gehandeld bij de uitvoering van de overeenkomst en dat [appellant] zelf onzorgvuldig is geweest in het gebruik van de tankpassen. Op grond van haar algemene voorwaarden komen de gevolgen van misbruik/fraude van de tankpassen voor rekening van [appellant] , en is aansprakelijkheid van [geïntimeerde] voor schade als gevolg van die fraude/misbruik uitgesloten.
De risicoverdeling in de (overeenkomst en de) algemene voorwaarden
Tussen partijen staat niet ter discussie dat personen onbevoegd gebruik hebben gemaakt van tankpassen die door [geïntimeerde] aan [appellant] zijn uitgegeven. Wel verschillen partijen van mening over de vraag voor wiens rekening dit moet komen en wat de omvang van de fraude en de schade is. [appellant] heeft niet betwist dat de algemene voorwaarden van [geïntimeerde] (retail B.V.) van toepassing zijn op hun rechtsverhouding. Wel stelt zij dat de uitleg van de risicoverdeling daarin (art. 2.6, 4.3 en 7.2) meebrengt, althans naar redelijkheid en billijkheid (art. 6:248 BW) zou moeten meebrengen – naar het hof begrijpt – dat het misbruik van de tankpassen voor rekening van [geïntimeerde] moet komen. Het hof volgt dit niet. Ook als de stelling van [appellant] wordt gevolgd dat de overeenkomst niet beperkt is tot de levering van brandstof maar voorziet in een gecombineerd systeem van fysieke pasverstrekking, digitale autorisatie en real-time transactieregistratie inclusief monitoring- en rapportagemogelijkheden, geldt dat uit genoemde artikelen duidelijk volgt dat de deelnemer vanaf het moment van verstrekking van de PIN aansprakelijk is voor verplichtingen voortvloeiend uit het gebruik van tankpas met PIN en dat transacties uitgevoerd na of als gevolg van verlies, diefstal of misbruik voor rekening van de deelnemer komen totdat de deelnemer daarvan melding heeft gemaakt bij [geïntimeerde] . Deze bepalingen uit de algemene voorwaarden zijn naar het oordeel van het hof duidelijk en [appellant] had dit ook zo behoren te begrijpen, ook gelet op de verplichtingen van de deelnemer uit artikel 2 over het gebruik van pin en tankpas; er zijn overigens geen relevante omstandigheden gesteld waarom [appellant] deze bepalingen anders had mogen begrijpen. De voorwaarden zijn bovendien tussen professionele partijen overeengekomen. Anders dan [appellant] bepleit, bestaat er in het licht van het voorgaande ook geen aanleiding voor de toepassing van de contra preferentem-regel (art. 6:238 lid 2 BW).
Uit artikel 2 van de algemene voorwaarden blijkt verder duidelijk dat de gebruiker van de tankpassen instaat voor een juist en zorgvuldig gebruik van de tankpassen en de bijbehorende pincode. Met de rechtbank is het hof van oordeel dat het op de weg van [appellant] had gelegen om beleid te ontwikkelen ter bevordering van het zorgvuldig gebruik van aan haar verstrekte tankpassen. Van [appellant] had ten minste verwacht mogen worden dat zij correct administreert bij wie welke tankpas zich bevindt, instructies geeft over het bewaren van de tankpassen, en zelf de gegevens van met de tankpassen afgenomen brandstof regelmatig controleert, waartoe (naast de wekelijkse facturen) het online portal van [geïntimeerde] haar ook ruime mogelijkheden bood. In het licht hiervan ziet het hof geen aanleiding of ruimte om van de risicoverdeling uit de algemene voorwaarden van [geïntimeerde] af te wijken op grond van 6:248 BW.
Voor zover [appellant] bedoelt dat de betreffende bepalingen uit de algemene voorwaarden buiten toepassing moeten worden gelaten of dat de overeenkomst moet worden aangevuld met een beperking van de exoneratie van [geïntimeerde] , volgt het hof dat evenmin. De algemene voorwaarden leggen de aansprakelijkheid voor transacties na of als gevolg van verlies, diefstal of misbruik van de tankpassen bij de deelnemer (hier: [appellant] ). Dit laat zich verklaren uit het feit dat [geïntimeerde] geen invloed heeft op hoe er met de tankpassen door de deelnemers wordt omgesprongen. De aansprakelijkheid van [geïntimeerde] is beperkt tot het tijdstip waarop de deelnemer misbruik of fraude bij [geïntimeerde] heeft gemeld, en is, anders dan [appellant] lijkt te betogen, dus niet volledig onbeperkt. Het hof betrekt hier nog bij dat niet is komen vast te staan dat [geïntimeerde] onzorgvuldig heeft gehandeld bij de uitvoering van de overeenkomst, terwijl wel is komen vast te staan dat [appellant] onzorgvuldig met de tankpassen is omgegaan (zie ook 6.14 hierna). Van een (relevante) informatievoorsprong van [geïntimeerde] ten opzichte van [appellant] is ook niet gebleken. Dat of waarom voor het monitoren van de transacties door [appellant] bijzondere specialistische of technologische kennis nodig was, is niet toegelicht, zodat dat niet is komen vast te staan. Zeker tegen deze achtergrond beschouwd, verzetten de maatstaven van redelijkheid en billijkheid zich niet tegen de onverkorte toepassing van de algemene voorwaarden tussen partijen.
Geen betrokkenheid [geïntimeerde] bij brandstoffraude
Volgens [appellant] is [geïntimeerde] betrokken bij de gestelde fraude, zodat – naar het hof begrijpt – de gevolgen daarvan hoe dan ook voor haar rekening moeten komen. In de memorie van grieven benadrukt [appellant] in dat kader dat [geïntimeerde] niet vrijwillig inzage heeft gegeven in gegevens die volgens [appellant] kunnen wijzen op fraude met tankpassen binnen [geïntimeerde] . Naar het oordeel van het hof stond het [geïntimeerde] echter vrij om zich, in en buiten rechte, te verzetten tegen de gevorderde inzage. Dat [geïntimeerde] informatie heeft achtergehouden is niet gebleken. Naar aanleiding van het vonnis van 20 maart 2024 (zie 3.13. hierboven) zijn de inbeslaggenomen gegevens door de bewaarder, DigiJuris B.V., onderzocht op foto’s, videofragmenten en correspondentie. Daar is kennelijk geen resultaat uit gekomen. Dit strookt met de verklaring van [geïntimeerde] dat zij de gevraagde gegevens niet onder zich heeft. [geïntimeerde] en/of [naam 1] hebben dit ook (meermaals) aan [appellant] laten weten en hadden haar geadviseerd de beelden veilig te stellen via [bedrijf] of de politie. [appellant] heeft [bedrijf] desalniettemin pas geruime tijd na de ontdekking van het misbruik aangeschreven.
Bovendien heeft [appellant] geen concrete feiten en omstandigheden gesteld die wijzen op fraude met tankpassen binnen [geïntimeerde] . [geïntimeerde] heeft elke betrokkenheid bij de gestelde fraude betwist. Dat [naam 1] zou hebben gezegd dat hij de personen op de bewakingsbeelden van [bedrijf] kende, dat zij niet gelieerd zouden zijn aan [appellant] en dat hij door hen werd bedreigd, acht het hof net als de rechtbank onvoldoende om betrokkenheid van [geïntimeerde] bij fraude aan te nemen. Daaruit blijkt immers geen verband tussen het misbruik en [geïntimeerde] . Ook de omvang van de gestelde fraude komt niet uit de verf. Dat er met tien verschillende tankpassen zou zijn gefraudeerd zoals [appellant] stelt ter onderbouwing van het door haar genoemde bedrag van € 96.382,84 is in tegenspraak met het proces-verbaal van aangifte. Daarin worden drie tankpassen genoemd en een veel lager schadebedrag. Het betoog van [appellant] over interne brandstoffraude blijft verder steken in algemeenheden en theoretische bespiegelingen. Dat [geïntimeerde] betrokken zou zijn bij fraude volgt daar niet uit. Het verwijt dat [geïntimeerde] onterecht profiteert van [appellant] gaat ook niet op. Alle brandstof waar het hier om gaat is daadwerkelijk met de aan [appellant] geleverde tankpassen afgenomen.
De stelplicht en de eventueel daaruit voortvloeiende bewijslast ten aanzien van de gestelde fraude en de schade rust, conform de hoofdregel van artikel 150 Rv, op [appellant] . [appellant] vermoedt – nog steeds – dat [geïntimeerde] gegevens onder zich heeft of heeft gehad die haar mogelijke betrokkenheid bij fraude kunnen aantonen. Dat is in dit geval echter onvoldoende om, zoals [appellant] bepleit, van de hoofdregel van artikel 150 Rv af te wijken. [appellant] had, bijvoorbeeld, concrete stellingen kunnen ontlenen aan verklaringen van de vier door haar genoemde werknemers, of (tijdig) beelden via de politie of [bedrijf] kunnen opvragen. Andere redenen om hiervan af te wijken zijn er evenmin. Het lijkt [appellant] ook vooral te gaan om de onderbouwing van de rechtmatigheid van de transacties, terwijl de vraag die voorligt is die naar de betrokkenheid van [geïntimeerde] bij fraude en/of misbruik. [appellant] voert nog aan dat aan het conservatoir bewijsbeslag en de door [geïntimeerde] geweigerde inzage een indicatieve waarde toekomt voor de juistheid van door haar gestelde feiten. Dat de drempel voor dit beslag is gehaald, betekent echter niet dat door [geïntimeerde] betwiste stellingen van [appellant] door het hof voor juist gehouden moeten worden. [appellant] heeft ook niet concreet toegelicht welke ‘feiten’ zij op het oog heeft. Dat [geïntimeerde] betrokken zou zijn bij fraude is door [appellant] al met al ook in hoger beroep onvoldoende onderbouwd.
Geen schending zorgplicht door [geïntimeerde]
Het gebrek aan onderbouwing doet zich ook voor bij het verwijt van [appellant] dat [geïntimeerde] een zorgplicht heeft geschonden. [appellant] stelt zich als gezegd op het standpunt dat de overeenkomst van partijen meer behelst dan alleen de levering van brandstof, en voorziet in een ‘gecombineerd systeem van pasverstrekking, digitale autorisatie en realtime transactieregistratie, inclusief monitoring- en rapportagemogelijkheden’. Volgens [appellant] brengt dit mee dat [geïntimeerde] proactief de brandstofafname moet monitoren en moet waarschuwen voor ongebruikelijke transacties. [appellant] voert aan dat er tussen mei en oktober 2022 abnormale brandstofvolumes met de tankpassen zijn afgenomen, dat de facturen van [geïntimeerde] aanzienlijk hoger uitkwamen dan gebruikelijk, en dat [geïntimeerde] dit had moeten signaleren en daarvoor had moeten waarschuwen. [geïntimeerde] heeft betwist dat er van sterk afwijkende brandstofvolumes sprake was, onder verwijzing naar haar factuurbedragen in de relevante periode. Zij heeft er in dat verband op gewezen dat als met de tankpassen van [appellant] werkelijk voor € 96.382,84 aan brandstof door derden is afgenomen, dit zou betekenen dat [appellant] tussen mei en oktober 2022 nauwelijks brandstof heeft getankt. Dat ligt bepaald niet voor de hand voor een transportbedrijf, maar een verklaring of toelichting van de zijde van [appellant] is uitgebleven. Dat er werkelijk een verschil in brandstofafname is geweest in de door [appellant] gestelde orde van grootte komt daarom voor het hof niet vast te staan.
[geïntimeerde] heeft er bovendien op gewezen dat [appellant] beter zicht heeft dan [geïntimeerde] op wat voor [appellant] de gebruikelijke en te verwachten brandstofafnames zijn. [appellant] kent immers haar eigen bedrijfsvoering en planning het best. [appellant] heeft dit ook niet betwist. Zij stelt dat er nog onderzoek gedaan moet worden naar de ‘organisatorische, technische en procedurele inrichting’ bij [geïntimeerde] en haar ‘informatiedominantie’. Het hof gaat hier niet in mee, alleen al omdat [appellant] de routine van haar chauffeurs het beste kent. Onverklaarbaar afwijkend tankgedrag – dat [appellant] ook in het online portal kon monitoren – was dus bij uitstek door [appellant] zelf te signaleren. Daar sluit op aan dat, zoals blijkt uit het proces-verbaal van aangifte, [appellant] het misbruik heeft ontdekt doordat er meermaals is getankt bij een door haar chauffeurs niet regelmatig gebruikt tankstation. Daar komt nog bij dat het aantal ritten en de brandstofprijzen kunnen fluctueren, zodat de hoogte van een factuur niet noodzakelijk iets zegt over eventueel misbruik.
Volgens [appellant] had [geïntimeerde] haar niettemin eerder moeten waarschuwen en maatregelen moeten nemen omdat [geïntimeerde] over veel meer gegevens van het gebruik van de tankpassen beschikt, zoals realtime transactieregistratie. Het hof gaat hier niet in mee. [geïntimeerde] heeft betwist dat zij over meer gegevens beschikt. Zij heeft er op gewezen dat de tankpassen persoonlijk bij [appellant] zijn afgeleverd en dat wekelijks een gespecificeerde factuur werd gestuurd van de brandstofafnames met opgave van het tankpasnummer, datum, tijdstip, locatie en afgenomen hoeveelheid. Bovendien kon [appellant] in het online portal van [geïntimeerde] het gebruik van de afzonderlijke tankpassen continu monitoren, en bij signalen of vermoedens van fraude via het portal direct actie ondernemen zoals het blokkeren van de tankpas. Daar komt bij dat [appellant] zelf onzorgvuldig met de tankpassen is omgegaan. Zoals uit het proces-verbaal van aangifte blijkt en in hoger beroep niet concreet is bestreden, wist niemand binnen [appellant] wie welke pas in bezit had en waar de passen werden bewaard. Passen raakten kwijt zonder dat iemand binnen [appellant] zich daarvan bewust was (de passen werden ‘niet gemist’). Sommige chauffeurs hadden meerdere passen en anderen lieten passen in de voertuigen achter. [appellant] controleerde het gebruik van de tankpassen kennelijk ook niet regelmatig; zo merkte zij naar eigen zeggen pas in augustus 2022 dat er al sinds mei 2022 iets mis ging met een bepaalde tankpas. Met de rechtbank is het hof daarom van oordeel dat het misplaatst is dat [appellant] [geïntimeerde] verwijt dat die het misbruik van de tankpassen had moeten signaleren en daarvoor had moeten waarschuwen. Tegen deze achtergrond heeft [appellant] onvoldoende concrete feiten en omstandigheden aangevoerd die de conclusie kunnen dragen dat [geïntimeerde] een zorgplicht heeft geschonden jegens [appellant] omdat zij misbruik van de tankpassen op grond van te hoge brandstofvolumes en facturen had moeten opmerken en maatregelen had moeten nemen.
Bij dit alles komt dat [appellant] ook niet voldoende duidelijk heeft toegelicht welke juridische gevolgen zij verbindt aan haar stelling (die dus niet is komen vast te staan) dat [geïntimeerde] haar zorgplicht heeft geschonden en op welke wijze dat tot gevolg zou hebben dat de vordering van [geïntimeerde] uit hoofde van de facturen niet opeisbaar is. Voor zover zij zich op een opschortingsrecht heeft beroepen, betekent dat niet automatisch dat de vordering van [geïntimeerde] niet opeisbaar zou zijn.
Bewijs
Volgens [appellant] is haar bewijsaanbod met getuigen bij de rechtbank ten onrechte gepasseerd (art. 166 Rv). Een concreet bewijsaanbod ten aanzien van voor de zaak relevante beslispunten is door [appellant] echter niet gedaan. Het gebrek aan onderbouwing van stellingen laat zich ook niet ‘repareren’ met een bewijsaanbod. [appellant] heeft (ook) in hoger beroep geen feiten en omstandigheden te bewijzen aangeboden die, indien bewezen, tot een andere uitkomst kunnen leiden. Aan bewijslevering wordt daarom niet toegekomen.
Voor zover [appellant] in hoger beroep ook heeft willen opkomen tegen de afwijzing door de rechtbank van haar art. 843a Rv-verzoek, blijkt dat niet voldoende kenbaar uit de grieven.
Slotsom, kosten
Het hof deelt op grond van al het voorgaande de conclusie van de rechtbank, dat het misbruik van de tankpassen voor rekening komt van [appellant] op grond van artikelen 2.6, 4.3 en 7.2 van de algemene voorwaarden, en dat zij alle facturen van [geïntimeerde] moet betalen. De vorderingen van [appellant] zijn door de rechtbank dus terecht afgewezen. Er is daarmee ook geen grondslag voor de gevorderde terugbetaling van wat [appellant] uit hoofde van het vonnis aan [geïntimeerde] heeft voldaan. Wat [appellant] verder nog heeft aangevoerd kan ook niet tot een andere beslissing leiden en hoeft geen bespreking.
Het hoger beroep heeft geen succes. Het bestreden vonnis wordt bekrachtigd. [appellant] is in het hoger beroep in het ongelijk gesteld en zal daarom worden veroordeeld in de proceskosten van [geïntimeerde] in hoger beroep. Het hof stelt de proceskosten in hoger beroep als volgt vast:
- griffierecht € 2.175
- salaris advocaat € 2.580 (tarief II, 2 punten)
Totaal € 4.755
7. Beslissing
Het hof:
bekrachtigt het bestreden vonnis;
veroordeelt [appellant] in de proceskosten in hoger beroep, tot nu vastgesteld op € 4.755;
verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit arrest is gewezen door mrs. R.M. de Winter, G.R. den Dekker en J. van Overeem en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 22 september 2026.