ECLI:NL:CRVB:2026:1235

ECLI:NL:CRVB:2026:1235

Instantie Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak 17-09-2026
Datum publicatie 22-09-2026
Zaaknummer 25/1979 WIA
Rechtsgebied Bestuursrecht
Procedure Hoger beroep

Samenvatting

Het Uwv heeft terecht geweigerd appellant met ingang van 9 november 2023 een WIA-uitkering toe te kennen, omdat bij appellant per die datum geen sprake is van toegenomen beperkingen uit dezelfde ziekteoorzaak binnen vijf jaar na beëindiging van zijn WIA-uitkering in de zin van artikel 57, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet WIA.

Uitspraak

SAMENVATTING

25/1979 WIA

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 12 augustus 2025, 25/955 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 17 september 2026

Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht heeft geweigerd appellant met ingang van 9 november 2023 een WIA-uitkering toe te kennen, omdat bij appellant per die datum geen sprake is van toegenomen beperkingen uit dezelfde ziekteoorzaak binnen vijf jaar na beëindiging van zijn WIA-uitkering in de zin van artikel 57, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet WIA. Volgens appellant zijn zijn medische beperkingen toegenomen. De Raad volgt dit standpunt niet en komt tot het oordeel dat het Uwv terecht geen WIAuitkering heeft toegekend.

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. S.L. Sarin, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar een enkelvoudige kamer.

De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 6 augustus 2026. Voor appellant is mr. Sarin verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.R. van Piggelen.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.

Appellant heeft voor het laatst gewerkt als medewerker afwas. Op 28 augustus 2017 is hij voor dit werk uitgevallen wegens gezondheidsklachten. Met ingang van 26 augustus 2019 heeft het Uwv appellant een loongerelateerde WGA-uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) toegekend, waarbij de mate van arbeidsongeschiktheid is vastgesteld op 80 tot 100%. De WIA-uitkering is per 5 januari 2023 beëindigd, omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Dit besluit is met de uitspraak van de Raad van 5 juni 2024 in rechte komen vast te staan.

Appellant heeft zich op 14 november 2023 bij het Uwv gemeld met toegenomen klachten met ingang van 9 november 2023. Na onderzoek door een arts van het Uwv heeft het Uwv bij besluit van 29 januari 2024 geweigerd appellant met ingang van 9 november 2023 een WIA-uitkering toe te kennen, omdat de beperkingen van appellant niet zijn toegenomen binnen vijf jaar na de beëindiging van de WIA-uitkering. Appellant heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 24 december 2024 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant ongegrond verklaard. Hieraan ligt een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep ten grondslag.

Uitspraak van de rechtbank

2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat uit de rapporten van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 20 december 2024 en 10 april 2025 blijkt dat de informatie van de huisarts, fysiotherapeut en neuroloog bij de beoordeling is betrokken en dat voor de rugklachten lichamelijk onderzoek is verricht. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft geconstateerd dat uit het neurologisch onderzoek uit 2025 is gebleken dat er nog steeds afwijkingen zijn, maar dat deze zijn afgenomen. Het aanvullend eigen onderzoek en de bestudering van de medische gegevens hebben de verzekeringsarts bezwaar en beroep geen aanleiding gegeven om de eerder opgestelde Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 25 oktober 2022 te herzien. De daarin opgenomen beperking voor persoonlijk risico komt tegemoet aan de duizeligheidsklachten. Verder zijn al beperkingen opgenomen voor lopen en staan, lopen tijdens werk en staan tijdens werk, tillen en dragen. Op grond van het lichamelijk onderzoek zijn er volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep geen medisch objectiveerbare gronden om meer beperkingen aan te nemen. Wat betreft de gestelde psychische problematiek zijn bij het onderzoek geen aanwijzingen naar voren gekomen voor psychopathologie en zijn voor deze klachten in de FML al beperkingen opgenomen in de rubrieken persoonlijk en sociaal functioneren. Er is per datum in geding geen aanleiding om de FML te herzien, omdat sprake is van een ongewijzigd medisch feitencomplex. Appellant heeft in beroep geen nieuwe medische informatie overgelegd en ook niet op een andere wijze aannemelijk gemaakt dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep een onjuist beeld heeft gehad van zijn gezondheidstoestand en zijn belastbaarheid voor arbeid.

Het standpunt van appellant

3. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Hij heeft zijn standpunt herhaald dat de door hem gestelde verergering van de duizeligheidsklachten ten onrechte niet heeft geleid tot het aannemen van meer beperkingen.

Het standpunt van het Uwv

4. Het Uwv heeft verzocht om de aangevallen uitspraak te bevestigen.

Het oordeel van de Raad

5. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de weigering een WIA-uitkering toe te kennen in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Op grond van artikel 57, eerste lid, onderdeel b, onder 1˚, van de Wet WIA herleeft het recht op een WGA-uitkering op de dag dat de verzekerde weer gedeeltelijk arbeidsgeschikt is, als hij op de dag daaraan voorafgaand minder dan 35% arbeidsongeschikt was en de gedeeltelijke arbeidsgeschiktheid intreedt binnen vijf jaar na de dag dat het recht op grond van artikel 56 is geëindigd en voortkomt uit dezelfde oorzaak als op grond waarvan hij eerder recht had op een WGA-uitkering.

Wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, is in essentie een herhaling van wat in beroep naar voren is gebracht. De rechtbank heeft de beroepsgronden van appellant afdoende besproken en met juistheid geoordeeld dat deze niet slagen. De overwegingen die daaraan ten grondslag liggen, worden onderschreven. Daaraan wordt het volgende toegevoegd.

Appellant heeft in hoger beroep geen nieuwe informatie overgelegd en heeft voor de onderbouwing van zijn toegenomen klachten verwezen naar de reeds bekende informatie van de huisarts van 10 december 2024. Uit die informatie blijkt dat appellant in november en december 2023 een aantal malen contact met de huisarts heeft opgenomen in verband met duizeligheidsklachten, dat appellant is geïnformeerd hoe met deze klachten om te gaan en hiervoor is verwezen naar fysiotherapie, maar dat hij geen behandeling wilde. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft hierover opgemerkt dat de duizeligheid passend is bij BPPD (positie-duizeligheid) en dat bij neurologisch onderzoek geen afwijkingen zijn geconstateerd. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft navolgbaar geconcludeerd dat ten aanzien van de duizeligheidsklachten sprake is van een ongewijzigde medische situatie, waarbij de eerder in de FML van 25 oktober 2022 gestelde beperking voor persoonlijk risico tegemoetkomt aan de duizeligheidsklachten.

Conclusie en gevolgen

Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de weigering om aan appellant een WIA-uitkering toe te kennen in stand blijft.

6. Omdat het hoger beroep niet slaagt, krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door M.E. Fortuin, in tegenwoordigheid van M.J.D. van Haren als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 september 2026.

(getekend) M.E. Fortuin

(getekend) M.J.D. van Haren

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand