ECLI:NL:CRVB:2026:1226

ECLI:NL:CRVB:2026:1226

Instantie Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak 16-09-2026
Datum publicatie 21-09-2026
Zaaknummer 24/2593 WW
Rechtsgebied Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Procedure Hoger beroep

Samenvatting

De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat appellante als (bedrijfstak)pensioenfonds niet op grond van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb als belanghebbende bij een aanvraag om uitkering op grond van hoofdstuk IV van de WW kan worden aangemerkt.

Uitspraak

SAMENVATTING

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

24/2593 WW

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

17 oktober 2024, 23/6716 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

Stichting Bedrijfstakpensioenfonds voor het Schoonmaak- en Glazenwassersbedrijf te Amsterdam (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 16 september 2026

Appellante stelt dat zij op grond van artikel 1:2, eerste dan wel derde lid, van de Awb belanghebbende is bij een aanvraag om een uitkering op grond van hoofdstuk IV van de WW. Zij heeft aangevoerd dat zij een eigen vorderingsrecht op het Uwv heeft. Ook heeft zij aangevoerd dat zij op grond van zaakwaarneming (artikel 6:198 BW) een eigen vorderingsrecht op het Uwv heeft. De Raad volgt appellante niet in deze standpunten en oordeelt, evenals de rechtbank, dat appellante geen belanghebbende is.

PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 13 november 2025. Voor appellante zijn verschenen mr. A.T. Uçar en mr. B.W. Koopmans. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. E. van Onzen.

OVERWEGINGEN

Inleiding

Appellante is een verplicht gesteld bedrijfstakpensioenfonds in de zin van de Pensioenwet en de Wet verplichte deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds 2000 (Wet Bpf 2000). Op grond van artikel 2, eerste lid, van de Wet Bpf 2000 zijn werknemers van werkgevers die een schoonmaak- respectievelijk glazenwassersbedrijf uitoefenen op grond van een verplichtstellingsbesluit verplicht tot deelname aan dit pensioenfonds.

Op 14 april 2023 heeft appellante bij het Uwv een verzoek ingediend tot overname van de betaling van pensioenpremies op grond van hoofdstuk IV van de Werkloosheidswet (WW) die schoonmaakwerkgeefster Megami B.V. vanwege faillissement niet meer voor haar werknemers aan appellante heeft betaald ten bedrage van in totaal € 30.136,89.

Het Uwv heeft het verzoek met een brief van 7 juli 2023 afgewezen, omdat appellante op grond van hoofdstuk IV van de WW (overneming van uit de dienstbetrekking voortvloeiende verplichtingen bij onmacht van de werkgever te betalen) geen belanghebbende is. Appellante heeft daartegen bezwaar gemaakt.

Met een beslissing op bezwaar van 11 oktober 2023 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen de brief van 7 juli 2023 niet-ontvankelijk verklaard.

Uitspraak van de rechtbank

De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. Daartoe heeft de rechtbank het volgende overwogen.

De rechtbank heeft de beroepsgrond dat appellante als (bedrijfstak)pensioenfonds een eigen vorderingsrecht ter zake van de pensioenpremies heeft op het Uwv verworpen. De artikelen 61 tot en met artikel 68 WW bepalen limitatief wie recht heeft op een uitkering op grond van hoofdstuk IV van de WW. Dat zijn de werknemer (artikel 61 WW) of diens nagelaten betrekkingen (artikel 61a WW). Derden, zoals een (bedrijfstak)pensioenfonds (appellante), hebben een eigen vorderingsrecht op de failliete werkgever, maar dit vorderingsrecht vloeit niet voort uit de WW. De rechtbank heeft overwogen dat appellante de betaling van (achterstallige) pensioenpremies langs civielrechtelijke weg van de failliete werkgever kan vorderen.

Verder heeft de rechtbank geoordeeld dat appellante als (bedrijfstak)pensioenfonds niet een eigen en rechtstreeks belang heeft bij een aanvraag tot overname van de pensioenpremies op grond van hoofdstuk IV van de WW en daarom niet als belanghebbende in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht

(Awb) kan worden aangemerkt. Alleen een werknemer heeft recht op een hoofdstuk IV WW-uitkering, ook als dat betaling aan een derde betreft. Dit betekent dat alleen een werknemer een aanvraag om uitkering op grond van hoofdstuk IV van de WW bij het Uwv kan indienen. Een verzoek van een ander dan een werknemer, zoals een (bedrijfstak)pensioenfonds, kan niet worden gezien als een aanvraag van een belanghebbende in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb. Om die reden is geen sprake van een verzoek van een belanghebbende om een besluit te nemen als bedoeld in artikel 1:3, derde lid, van de Awb. Daarom is de afwijzing van het verzoek in de brief van 7 juli 2023 geen besluit als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. Het belang dat appellante als (bedrijfstak)pensioenfonds heeft bij het innen van de premies ter financiering van de uit te keren pensioenen opent niet de bestuursrechtelijke weg.

De rechtbank heeft verder overwogen dat rechtspersonen op grond van artikel 1:2, derde lid, van de Awb aan hun statutaire doelstelling alleen belang kunnen ontlenen wanneer het gaat om een algemeen of collectief belang dat zij krachtens hun doelstellingen en blijkens hun feitelijke werkzaamheden in het bijzonder behartigen. Uit de statuten van appellante als (bedrijfstak)pensioenfonds blijkt dat het doel van appellante is het verlenen van pensioenen aan de deelnemers, de gewezen deelnemers, alsmede aan hun nagelaten betrekkingen. De feitelijke werkzaamheden van appellante bestaan uit het innen van premies, deze te beleggen en daaruit uitkeringen toe te kennen. Hieruit volgt niet dat appellante als (bedrijfstak)pensioenfonds zich bezighoudt met behartiging van algemene en collectieve belangen, zodat appellante ook niet op grond van artikel 1:2, derde lid, van de Awb als belanghebbende bij een aanvraag om uitkering op grond van hoofdstuk IV van de WW is aan te merken.

Ook de beroepsgrond van appellante dat zij op basis van zaakwaarneming op grond van artikel 6:198 van het Burgerlijk Wetboek (BW) namens de werknemers van de failliete schoonmaakwerkgeefster een vordering tot premieovername bij het Uwv heeft ingediend, heeft de rechtbank verworpen. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 15 juni 2018 geoordeeld dat zaakwaarneming zich in uitzonderlijke gevallen ook in een bestuursrechtelijk geding kan voordoen. Uit het arrest van de Hoge Raad volgt dat de zaakwaarnemer moet stellen en aannemelijk maken dat de belanghebbende (tijdelijk) zelf niet in rechte kan optreden en redelijkerwijs ook niet een vertegenwoordiger heeft kunnen aanwijzen. Appellante is niet in dit bewijs geslaagd. Appellante heeft haar stelling dat sprake is van een gebrek aan ‘doe vermogen’ bij medewerkers in de schoonmaakbranche, in het bijzonder bij medewerkers van de failliete schoonmaakwerkgeefster, niet met nadere (objectieve) gegevens onderbouwd. Hetzelfde geldt voor de stelling van appellante dat volmachtverlening praktisch gezien niet haalbaar is.

Het standpunt van appellante

Appellante is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Appellante heeft herhaald dat zij als (bedrijfstak)pensioenfonds op grond van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb als belanghebbende bij de hoofdstuk IV WW-aanvraag moet worden aangemerkt, omdat zij – anders dan de rechtbank heeft geoordeeld – een eigen en rechtstreeks belang heeft bij het indienen daarvan. Volgens appellante lijdt zij financiële schade doordat de failliete schoonmaakwerkgeefster de pensioenpremies voor de werknemers niet meer aan haar heeft betaald, vanwege het feit dat de werknemers zelf geen aanvraag hebben gedaan. Door het beginsel van ‘geen premie, wel recht’ in de sinds 2007 geldende Pensioenwet heeft appellante wel aan de werknemers van de failliete schoonmaakwerkgeefster de pensioenen moeten uitbetalen. Appellante heeft ter onderbouwing van haar standpunt dat het belanghebbende-begrip breder kan zijn dan alleen het zijn van werknemer gewezen op de uitspraken van de Raad van 6 mei 2013 en 5 maart 2019.

Daarnaast heeft appellante haar standpunt gehandhaafd dat zij op grond van artikel 1:2, derde lid, van de Awb belanghebbende is door behartiging van een algemeen of een collectief belang. Zij heeft erop gewezen dat zij ter uitvoering van artikel 3 van haar statuten, het verlenen van pensioen aan haar deelnemers, een missie-visie-strategie heeft vastgesteld, waarin wordt benadrukt dat het pensioen betaalbaar moet blijven. Volgens appellante wordt realisatie van dit doel bemoeilijkt indien deelnemers hun pensioen ontvangen, terwijl hun werkgever en het Uwv geen pensioenpremie aan haar betalen.

Verder heeft appellante, onder verwijzing naar het GOM-arrest van de Hoge Raad van 14 oktober 2016 en het WHOA-arrest van de Hoge Raad van 25 februari 2022, herhaald dat een redelijke en uit het oogpunt van een effectieve rechtsbescherming van werknemers wenselijke uitleg van Hoofdstuk IV van de WW meebrengt dat zij als (bedrijfstak)pensioenfonds bevoegd moet worden geacht het Uwv te verzoeken de pensioenpremiebetalingsachterstand over te nemen, zelfs als dit niet rechtstreeks is af te leiden uit de tekst van de WW. Volgens appellante staat niets eraan in de weg om de artikelen 61, 63 en 22 WW zodanig uit te leggen dat niet alleen de werknemer maar ook zij als (bedrijfstak)pensioenfonds een hoofdstuk IV WW-vordering tot overname van betaling van (achterstallige) pensioenpremies van een failliete werkgever bij het Uwv kan indienen.

Ter zitting heeft appellante gesteld en toegelicht dat werknemers in de schoonmaakbranche vrijwel nooit naar een voorlichtingsbijeenkomst van het Uwv naar aanleiding van een faillissement van een werkgever gaan en dat zij vaak niet weten wie hun werkgever is. Daarbij heeft appellante gewezen op het gebrek aan ‘doe vermogen’ van de betreffende werknemers. Zij is daarom van mening dat zij in het licht van haar doelstellingen het vorderingsrecht van de werknemers kan uitoefenen. Appellante doelt daarmee op de grond die zij ook in beroep had aangevoerd, dat zij als (bedrijfstak)pensioenfonds op grond van zaakwaarneming in de zin van artikel 6:198 BW een vorderingsrecht heeft op het Uwv, althans dat sprake is van volmachtverlening.

Het standpunt van het Uwv

Het Uwv heeft verzocht om de aangevallen uitspraak te bevestigen.

Het oordeel van de Raad

De wettelijke regels en beleidsregels die voor de beoordeling van het hoger beroep belangrijk zijn, zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.

Op grond van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb wordt onder belanghebbende verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken. Op grond van artikel 8:1 van de Awb kan een belanghebbende tegen een besluit beroep instellen bij de bestuursrechter.

Het oordeel van de rechtbank dat appellante als (bedrijfstak)pensioenfonds niet op grond van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb als belanghebbende bij een aanvraag om uitkering op grond van hoofdstuk IV van de WW kan worden aangemerkt, wordt onderschreven.

Op grond van artikel 61 en artikel 61a van de WW heeft een werknemer dan wel zijn nagelaten betrekkingen recht heeft op een uitkering op grond van hoofdstuk IV van de WW als hij in dienst is van een werkgever die: 1) in staat van faillissement is verklaard, 2) aan wie surséance van betaling is verleend, 3) op wie de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen van toepassing is of 4) die anderszins verkeert in de blijvende toestand dat hij heeft opgehouden te betalen. Op grond van artikel 64 van de WW omvat dit recht op uitkering mede de bedragen die de werkgever in verband met de dienstbetrekking met de werknemer aan derden verschuldigd is, zoals in dit geval de pensioenpremies. Voorwaarde is dat de werknemer loon, vakantiegeld, vakantiebijslag heeft te vorderen of geldelijk nadeel ondervindt doordat de in betalingsonmacht verkerende werkgever bedragen die hij in verband met de dienstbetrekking met de werknemer aan derden is verschuldigd niet heeft betaald. Tegenover het recht van een werknemer op uitkering op grond van hoofdstuk IV van de WW zijn voor de werknemer een aantal verplichtingen in de WW opgenomen, zoals de verplichting op grond van artikel 63, eerste lid, onder b, van de WW en de verplichtingen op grond van de artikelen 24, 25 en 26 van de WW. Deze verplichtingen hebben geen brede strekking, maar richten zich uitsluitend tot de werknemer. Uit deze gerichtheid van de artikelen 61 WW en 61a WW op de werknemer en zijn nagelaten betrekkingen volgt dat appellante bij toepassing van deze artikelen niet als belanghebbende kan worden aangemerkt. Het verzoek van 14 april 2023 kan dus op grond van artikel 1:3 van de Awb niet als een aanvraag worden beschouwd. Dat het Uwv na toekenning van het recht op uitkering op grond van hoofdstuk IV van de WW de achterstallige pensioenpremies niet aan de werknemer maar rechtstreeks aan het pensioenfonds betaald, maakt dat niet anders.

Ook de omstandigheid dat appellante als (bedrijfstak)pensioenfonds door het beginsel van ‘geen premie, wel recht’, dat volgt uit de memorie van toelichting bij de Pensioenwet en is neergelegd in artikel 4.1 van het pensioenreglement van Pensioenfonds Schoonmaak, bij het niet indienen van een aanvraag op grond van hoofdstuk IV van de WW door een werknemer in het geval van faillissement van diens werkgever financieel nadeel kan lijden, leidt niet tot een ander oordeel. Voor zover appellante financiële gevolgen ondervindt indien een werknemer geen aanvraag van een uitkering op grond van hoofdstuk IV van de WW doet, brengt dit niet mee dat zij een rechtstreeks en eigen zelfstandig belang heeft bij een uitkering op grond van hoofdstuk IV, dat los staat van de contractuele relatie tussen een werknemer van de betreffende werkgeefster en appellante, en als belanghebbend moet worden aangemerkt. Alleen als een belanghebbende een bestuursorgaan verzoekt om een besluit te nemen, dan is dat verzoek een ‘aanvraag’ als bedoeld in artikel 1:3, derde lid, van de Awb. Als de verzoeker geen belanghebbende is, dan is zijn verzoek dus geen aanvraag. Zoals het Uwv terecht heeft opgemerkt, kan een aanvraag van een uitkering op grond van hoofdstuk IV van de WW alleen worden gedaan door of namens de verzekerde werknemer.

In de memorie van antwoord aan de Eerste Kamer bij het wetsvoorstel Regels betreffende pensioenen (Pensioenwet) is vermeld:

“(…)

Consequenties van premienalatigheid

Een pensioenfonds mag een recht op pensioen niet afhankelijk maken van de vraag of premie is voldaan. (…)

(…)

Over dit onderwerp stellen de leden van de CDA-fractie ten slotte nog de volgende vraag. Het Uwv is gehouden, op grond van artikel 61 jo. artikel 64 van de Werkloosheidswet (WW) om, wanneer een werkgever terecht is gekomen in de in artikel 61 WW nader omschreven situatie van betalingsonmacht, de claim van een pensioenuitvoerder op de onbetaald gebleven pensioenpremies te honoreren. Die gehoudenheid is er alleen, indien de werknemer «geldelijk nadeel kan ondervinden» van het feit dat de werkgever de premies niet heeft afgedragen. Kan de minister bevestigen, zo vragen de leden van de CDA-fractie, dat het niet-korten van pensioenaanspraken vanwege het principe «geen premie, wel pensioen» voor het Uwv geen aanleiding kan zijn om claims van pensioenuitvoerders bij faillissement van de werkgever af te wijzen. De regering wijst erop, dat het Uwv gehouden is de WW correct uit te voeren. De regeling van overname van de pensioenverplichtingen in de WW is niet gewijzigd. Ook de Pensioenwet brengt op dit punt ten opzichte van de PSW geen wijziging. In die zin is er voor het Uwv dus geen aanleiding om tot een bijstelling van het beleid te komen inzake de overname van deze verplichtingen. Een bevestiging als door de leden van de CDA-fractie gevraagd, kan de regering evenwel niet geven. Het is immers aan het Uwv om, gegeven de relevante artikelen in de WW, tot een juiste beoordeling te komen van de vraag of in een bepaald geval nu wel of niet moet worden overgegaan tot overname van de verplichting tot premie betaling van de werkgever.”

Uit het bovenstaande volgt dat er geen indicatie is dat de wijziging van de Pensioenwet in 2007 gevolgen zou moeten hebben voor de positie van pensioenuitvoerders ten aanzien van aanspraken die voortvloeien uit hoofdstuk IV van de WW.

De uitspraken van de Raad van 6 maart 2013 en 5 maart 2019 waarnaar appellante heeft verwezen leiden niet tot een ander oordeel. Deze uitspraken zagen op andere situaties dan hier ter beoordeling voorligt. De uitspraak van 6 maart 2013 ging over het Besluit deeltijd WW tot behoud van vakkrachten. In die uitspraak is – kort gezegd – geoordeeld dat die regeling eigen normen heeft die zich richten tot de werkgever en dat deze normen voor de werkgever zowel een begunstigend als een belastend karakter hebben, zodat de werkgever een rechtstreeks belang in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb had bij besluiten van het Uwv over deeltijd-WW. In de uitspraak van 5 maart 2019 was de vraag aan de orde of een derde, een financiële garantsteller, los van de contractuele relatie tussen hem en degene tot wie een besluit is gericht, ook een zelfstandig eigen belang heeft bij dat besluit. Daarin is – kort gezegd – geoordeeld dat onder bepaalde omstandigheden voor de garantsteller een directe betalingsverplichting voortvloeit uit de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen, wat maakt dat de garantsteller in die gevallen een direct belang heeft bij een uitkeringsbesluit. De onderhavige situatie is niet vergelijkbaar met de gevallen die in die uitspraken aan de orde waren. Zoals onder 4.2.1 is overwogen, richten de artikelen 61 WW en 61a WW zich uitsluitend tot een werknemer. Van een van het belang van werknemer afgeleid belang van een (bedrijfstak)pensioenfonds is geen sprake.

Evenmin kan appellante op grond van artikel 1:2, derde lid, van de Awb als belanghebbende worden aangemerkt. De Raad onderschrijft de overwegingen die de rechtbank tot dit oordeel hebben geleid. De omstandigheid dat appellante ter uitvoering van het doel om pensioenen aan haar deelnemers uit te keren een missie-visie-strategie heeft vastgesteld en – naar zij stelt – de realisatie van het doel van betaalbare pensioenen wordt bemoeilijkt in de (huidige) wettelijke regeling van hoofdstuk IV van de WW, leidt niet tot de conclusie dat appellante als (bedrijfstak)pensioenfonds een algemeen en collectief belang behartigt op grond waarvan zij namens de werknemers van de betreffende schoonmaakwerkgeefster een hoofdstuk IV WW-aanvraag bij het Uwv kan indienen.

Noch het GOM-arrest van de Hoge Raad noch het WHOA-arrest van de Hoge Raad, uit welke arresten volgens appellante zou volgen dat zij als (bedrijfstak)pensioenfonds een eigen vorderingsrecht heeft op het Uwv, leidt tot het oordeel dat het verzoek van appellante van als een aanvraag in de zin van artikel 1:3 van de Awb moet worden aangemerkt. Deze arresten hebben betrekking op respectievelijk de rechten van een pensioenfonds tot inning van eventueel achterstallige pensioenpremies jegens een verkrijgende werkgever bij overgang van onderneming op grond van artikel 7:663 BW en de vraag of titel 2 van afdeling IV van de Faillissementswet (Fw) van toepassing is op een vordering voor achterstallige premies van een bedrijfstakpensioenfonds en de vraag of die vordering kan worden betrokken in een onderhands akkoord als bedoeld in artikel 370, eerste lid, van de Fw. Geen van deze situaties doet zich hier voor.

Het oordeel van de rechtbank dat appellante de gestelde zaakwaarneming op grond van artikel 6:198 BW niet met voldoende concrete, feitelijke en controleerbare gegevens heeft onderbouwd, wordt onderschreven. Ter zitting kon appellante desgevraagd niet specificeren hoeveel en welke werknemers door het faillissement van de betreffende schoonmaakwerkgeefster wegens het gestelde gebrek aan ‘doe-vermogen’ niet zelf in staat zouden zijn geweest tijdig een aanvraag op grond van hoofdstuk IV van de WW bij het Uwv in te dienen. Ook kon appellante de vraag niet beantwoorden wanneer de betreffende schoonmaakwerkgeefster failliet is gegaan. Hetzelfde geldt voor het gestelde gebrek aan ‘doe-vermogen’, welk gebrek volgens appellante volmachtverlening onmogelijk zou maken.

Conclusie en gevolgen

Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat het Uwv bij het bestreden besluit het bezwaar van appellante tegen de brief van het Uwv van 7 juli 2023 terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard.

5. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellante geen vergoeding voor haar proceskosten en het betaalde griffierecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door H.G. Rottier als voorzitter en S. Wijna en M.E. Fortuin als leden, in tegenwoordigheid van C.E.A. Tessemaker als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 september 2026.

(getekend) H.G. Rottier

De griffier is verhinderd te ondertekenen.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels

Artikel 40, eerste en tweede lid, van de Faillissementswet

1. Werknemers in dienst van de gefailleerde kunnen de arbeidsovereenkomst opzeggen

en hun kan wederkerig door de curator de arbeidsovereenkomst worden opgezegd, en wel

met inachtneming van de overeengekomen of wettelijke termijnen, met dien verstande

echter dat in elk geval de arbeidsovereenkomst kan worden opgezegd met een termijn van

zes weken.

2. Van de dag der faillietverklaring af zijn het loon en de met de arbeidsovereenkomst samenhangende premieschulden boedelschuld.

Werkloosheidswet (WW)

Hoofdstuk IV. Overneming van uit de dienstbetrekking voortvloeiende verplichtingen bij onmacht van de werkgever te betalen

Artikel 61

Een werknemer heeft recht op uitkering op grond van dit hoofdstuk, indien hij van een werkgever, die in staat van faillissement is verklaard, aan wie surséance van betaling is verleend, ten aanzien van wie de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen van toepassing is, of die anderszins verkeert in de blijvende toestand dat hij heeft opgehouden te betalen, loon, vakantiegeld, of vakantiebijslag te vorderen heeft of indien hij geldelijk nadeel kan ondervinden doordat deze werkgever bedragen die hij in verband met de dienstbetrekking met de werknemer aan derden verschuldigd is, niet heeft betaald.

Artikel 61a, eerste lid

De nagelaten betrekkingen van een werknemer hebben recht op uitkering op grond van dit hoofdstuk over de periode vanaf de dag na overlijden tot en met één maand na de dag van het overlijden, ten bedrage van het loon dat de werknemer laatstelijk rechtens toekwam, doch ten hoogste anderhalf maal het bedrag, bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen, met betrekking tot het loontijdvak van een dag, vermenigvuldigd met 21,75, indien zij van een werkgever, die verkeert in een omstandigheid als bedoeld in artikel 61, een overlijdensuitkering te vorderen hebben. (…)

Artikel 63, eerste lid, aanhef en onder a en b

1. De werknemer, wiens werkgever verkeert in een toestand als bedoeld in artikel 61 is verplicht:

a. indien geen tijdige betaling van loon, vakantiegeld of vakantiebijslag heeft plaatsgevonden, binnen een week na de dag waarop hij deze betaling normaal zou hebben ontvangen daarvan aangifte te doen bij het UWV; en

b. binnen een week na de dag waarop het hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn geweest dat zijn werkgever de bedragen, bedoeld in artikel 61, niet heeft betaald, daarvan aangifte te doen bij het UWV.

Artikel 64

1. Het recht op uitkering op grond van dit hoofdstuk wordt per kalendermaand berekend en omvat:

a. het loon over ten hoogste dertien weken, onmiddellijk voorafgaande aan:

o 1°.de dag waarop de dienstbetrekking door ontbinding eindigt;

o 2°.de dag waarop de dienstbetrekking met wederzijds goedvinden eindigt;

o 3°.de dag waarop de dienstbetrekking van rechtswege eindigt, of

o 4°.de dag van opzegging van de dienstbetrekking;

b. het loon over ten hoogste de voor de werknemer geldende termijn van opzegging of de termijn van opzegging, die zou hebben gegolden als deze termijn was aangevangen op de op grond van het tweede lid door het UWV vastgestelde dag, met dien verstande dat de krachtens artikel 40 van de Faillissementswet ten aanzien van de werknemer geldende termijn, zowel in als buiten faillissement, niet wordt overschreden; en

c. het vakantiegeld, de vakantiebijslag en de bedragen, die de werkgever in verband met de dienstbetrekking met de werknemer aan derden verschuldigd is, over ten hoogste het jaar onmiddellijk voorafgaande aan het tijdstip waarop de in onderdeel a, onder 1°, 2°, 3° of de in onderdeel b bedoelde termijn eindigt.

Burgerlijk Wetboek

Artikel 198, boek 6

Zaakwaarneming is het zich willens en wetens en op redelijke grond inlaten met de behartiging van eens anders belang, zonder de bevoegdheid daartoe aan een rechtshandeling of een elders in de wet geregelde rechtsverhouding te ontlenen.

Algemene wet bestuursrecht

Artikel 1:2

1. Onder belanghebbende wordt verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

2. (…)

3. Ten aanzien van rechtspersonen worden als hun belangen mede beschouwd de algemene en collectieve belangen die zij krachtens hun doelstellingen en blijkens hun feitelijke werkzaamheden in het bijzonder behartigen.

Artikel 1:3, eerste en derde lid 1. Onder besluit wordt verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling.

2. (…)

3 Onder aanvraag wordt verstaan: een verzoek van een belanghebbende, een besluit te nemen.

Artikel 8:1

Een belanghebbende kan tegen een besluit beroep instellen bij de bestuursrechter.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand