ECLI:NL:CRVB:2026:1225

ECLI:NL:CRVB:2026:1225

Instantie Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak 16-09-2026
Datum publicatie 21-09-2026
Zaaknummer 25/1906 WIA
Rechtsgebied Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Procedure Hoger beroep

Samenvatting

Het Uwv heeft terecht de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante per 5 oktober 2020 vastgesteld op 79,92% en per 24 januari 2023 vastgesteld op 78,17%. Geen sprake van meer (medische) beperkingen dan het Uwv heeft aangenomen waardoor zij niet de door de arbeidsdeskundige geselecteerde functies kan vervullen.

Uitspraak

SAMENVATTING

25/1906 WIA

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 13 augustus 2025, 24/3426 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] , Zuid-Afrika (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 16 september 2026

Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante per 5 oktober 2020 heeft vastgesteld op 79,92% en per 24 januari 2023 heeft vastgesteld op 78,17%. Volgens appellante heeft zij meer (medische) beperkingen dan het Uwv heeft aangenomen en kan zij niet de door de arbeidsdeskundige geselecteerde functies vervullen. De Raad volgt dit standpunt niet en komt tot het oordeel dat het Uwv het arbeidsongeschiktheidspercentage juist heeft vastgesteld.

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. P.S. Fluit, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar een enkelvoudige kamer.

De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 19 augustus 2026. Voor appellante is mr. Fluit verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. I.L.M. Dunselman.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.

Appellante heeft voor het laatst gewerkt als adviseur Services & Support bij [naam verzekering] Personeel voor 31,95 uur per week. Op 15 juli 2010 heeft zij zich ziekgemeld met uit MS voortkomende klachten. Na afloop van de voorgeschreven wachttijd heeft het Uwv aan appellante met ingang van 12 juli 2012 een loongerelateerde WGAuitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) toegekend. De mate van arbeidsongeschiktheid van appellante is hierbij op 47,39% vastgesteld op basis van de inkomsten uit werkzaamheden die zij bij haar werkgever nog verrichtte.

Appellante is in 2013 verhuisd naar Zuid-Afrika. Na afloop van de loongerelateerde WGA-uitkering heeft zij met ingang van 12 september 2013 een WGAloonaanvullingsuitkering ontvangen. Met ingang van 1 december 2013 is de loonaanvullingsuitkering omgezet in een WGA-vervolguitkering.

Op 24 mei 2022 heeft appellante gemeld dat haar gezondheid sinds 5 oktober 2020 is verslechterd en verzocht om een herbeoordeling. De verzekeringsarts heeft vastgesteld dat appellante bij het verrichten van werkzaamheden beperkingen heeft en heeft die beperkingen neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 24 januari 2023. De arbeidsdeskundige heeft vastgesteld dat appellante niet meer geschikt is voor haar laatste werk. De arbeidsdeskundige heeft vervolgens voor appellante functies geselecteerd en op grond van een praktische schatting op 24 januari 2023 een mate van arbeidsongeschiktheid berekend van 71,79%. Het Uwv heeft bij besluit van 31 maart 2023 vastgesteld dat appellante met ingang van 24 januari 2023 recht heeft op een vervolguitkering naar een arbeidsongeschiktheidspercentage van 65-80%.

Bij besluit van 10 mei 2024 (bestreden besluit) heeft het Uwv het hiertegen door appellante gemaakte bezwaar gegrond verklaard en de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante per 5 oktober 2020 op basis van een theoretische schatting vastgesteld op 79,92% en per 24 januari 2023 op 78,17%. Hieraan liggen een nieuwe FML van 19 december 2023 en rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft vastgesteld dat de belastbaarheid op 24 januari 2023 gelijk is aan die op 5 oktober 2020.

Uitspraak van de rechtbank

2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten.

De rechtbank heeft de conclusie van de verzekeringsarts bezwaar en beroep gevolgd dat uit het dagverhaal en de anamnese niet valt af te leiden dat appellante niet aaneengesloten vier uur kan werken. Daaruit blijkt dat appellante vanaf het moment van ophalen van de kinderen van school continue bezig is totdat zij naar bed gaat. Bij de vaststelling van de duurbelastbaarheid wordt rekening gehouden met het totale activiteitenpatroon van appellante, zowel werkgerelateerde als niet-werkgerelateerde activiteiten, omdat deze invloed kunnen hebben op de energetische belastbaarheid. Uit wat appellante heeft aangevoerd blijkt weliswaar onbetwist dat zij herstel- en rusttijd nodig heeft, maar niet dat zij minder dan vier uur achtereen belastbaar is. Appellante heeft geen medische informatie overgelegd op grond waarvan getwijfeld moet worden aan de conclusie van de verzekeringsarts bezwaar en beroep.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep verder voldoende en inzichtelijk gemotiveerd waarom zij geen beperking aanneemt op vasthouden en verdelen van aandacht. In haar rapport van 22 mei 2025 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep toegelicht dat beperkingen op deze aspecten conform de basisinformatie Claimbeoordelings- en Borgingssysteem feitelijk alleen aan de orde zijn bij een ernstige psychische stoornis. Verder is de vuistregel voor het vasthouden van de aandacht in het dagelijks functioneren dat als men in staat is een gesprek adequaat te begrijpen en te reageren, het niet aannemelijk is dat er sprake is van een stoornis in het vasthouden van de aandacht als bedoeld in dit beoordelingspunt. Als iemand in staat is om zelfstandig ergens naar af te reizen, bijvoorbeeld om boodschappen te halen of kinderen op te halen, is een stoornis in het verdelen van de aandacht niet aan de orde. De gegevens zoals die voorliggen met onder andere de onderzoeksbevindingen ten aanzien van de cognitieve functies geven volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep geen aanleiding om appellante op deze beoordelingspunten te beperken. Hoewel cognitieve stoornissen niet zijn geobjectiveerd, is er wel rekening gehouden met de cognitieve klachten en verminderde stresstolerantie, namelijk door beperkingen ten aanzien van persoonlijk en sociaal functioneren aan te nemen. Daarmee wordt geborgd dat de taken en werkomstandigheden niet te stresserend/cognitief belastend van aard zijn.

Tot slot heeft de rechtbank geoordeeld dat de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit eveneens voldoende is.

Het standpunt van appellante

3. Appellante is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Appellante heeft tegen die uitspraak aangevoerd dat de vertegenwoordiger van het Uwv op een vraag van de rechtbank ter zitting bij de rechtbank heeft geantwoord dat vier uur achtereen werken niet mogelijk is voor haar en vervolgens het standpunt heeft ingenomen dat appellante wel twee uur achtereen kan werken, een uur rust kan nemen en daarna weer twee uur kan werken. Dat is in de geselecteerde functies echter niet mogelijk. Ten onrechte is volgens appellante verder niet beoordeeld of beperkingen wat betreft concentreren aan de orde zijn, waarbij een ziekte als MS alle aanleiding toe is. Tot slot heeft appellante gesteld dat de arbeidsdeskundigen hebben nagelaten te beoordelen of het werk in de functies huishoudelijk medewerker algemeen qua totaalbelasting is aan te merken als intensief belastend.

Het standpunt van het Uwv

4. Het Uwv heeft verzocht om de aangevallen uitspraak te bevestigen. Daarbij heeft het Uwv verwezen naar een rapport van 12 december 2025 van de verzekeringsarts bezwaar en beroep en een rapport van 15 december 2025 van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep.

Het oordeel van de Raad

5. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de mate van arbeidsongeschiktheid per 5 oktober 2020 en per 24 januari 2023 in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Op grond van artikel 5 van de Wet WIA bestaat recht op een WIA-uitkering als een betrokkene ten minste 35% arbeidsongeschikt is. De mate van arbeidsongeschiktheid wordt berekend door het loon dat een betrokkene in zijn laatste werk nog had kunnen verdienen, te vergelijken met het loon dat hij kan verdienen in passende functies. Deze beoordeling is gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek.

De grond dat het Uwv op zitting bij de rechtbank een afwijkend standpunt heeft ingenomen over de duurbelastbaarheid en daaraan moet worden gehouden, slaagt niet. Uit het proces-verbaal van de zitting van de rechtbank blijkt dat de vertegenwoordiger van het Uwv naar aanleiding van het dagverhaal van appellante heeft opgemerkt dat twee uur werken kan worden afgewisseld met een uur of twee uur rusten. Op de vraag waar te vinden is dat vier uur werken niet aangesloten hoeft te zijn, moest de vertegenwoordiger van het Uwv het antwoord schuldig blijven. Ook al zijn de verklaringen van de vertegenwoordiger van het Uwv bij de rechtbank zoals neergelegd in het proces-verbaal van de zitting als verwarrend aan te merken, niet kan uit deze verklaringen worden afgeleid dat het Uwv daarmee ondubbelzinnig afstand heeft genomen van de motivering van de verzekeringsarts bezwaar en beroep dat appellante vier uur aangesloten kan werken. Het beroep van appellante op de uitspraak van de Raad van 23 april 2026 kan daarom niet slagen. In die zaak had het Uwv een toezegging gedaan dat een besluit met een bepaalde strekking zou worden genomen, en heeft de Raad geoordeeld dat het Uwv hieraan kon worden gehouden. Van een dergelijke toezegging is hier geen sprake. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in hoger beroep overigens nog eens herhaald dat, hoewel in het dagverhaal aanwijzingen zijn dat er sprake is van een verhoogde recuperatiebehoefte, datzelfde dagverhaal geen aanleiding geeft om te veronderstellen dat appellante niet in staat zou zijn om vier uur achtereen activiteiten te verrichten.

Wat appellante in hoger beroep over concentreren (vasthouden en verdelen van de aandacht) heeft aangevoerd, is een herhaling van de gronden die zij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank heeft deze grond in de aangevallen uitspraak afdoende besproken. De Raad kan zich geheel vinden in het oordeel van de rechtbank en in de overwegingen waarop dat oordeel rust.

De grond van arbeidskundige aard slaagt evenmin. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft in november 2025 overleg gevoerd met de verzekeringsarts bezwaar en beroep die heeft laten weten dat er geen medische redenen zijn om de schoonmaakfuncties te verwerpen op grond van de totaalbelasting. Omdat appellante haar andersluidende standpunt niet nader heeft onderbouwd, is er geen grond voor het oordeel dat deze motivering onvoldoende is.

Conclusie en gevolgen

Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de herbeoordeling van de WIA-uitkering waarbij de mate van arbeidsongeschiktheid is vastgesteld op respectievelijk 79,92% en 78,17% in stand blijft.

6. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellante geen vergoeding voor haar proceskosten en het betaalde griffierecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.H. Ermers, in tegenwoordigheid van F.M. Gerritsen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 september 2026.

(getekend) J.H. Ermers

(getekend) F.M. Gerritsen

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand