ECLI:NL:CRVB:2026:1223

ECLI:NL:CRVB:2026:1223

Instantie Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak 16-09-2026
Datum publicatie 18-09-2026
Zaaknummer 26/59 ZW
Rechtsgebied Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Procedure Hoger beroep

Samenvatting

Het Uwv heeft de ZW-uitkering van appellante terecht beëindigd. De Raad volgt het standpunt van appellante niet dat zij door haar beperkingen niet in staat was om passende functies te vervullen.

Uitspraak

SAMENVATTING

26/59 ZW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 1 december 2025, 23/5803 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 16 september 2026.

In deze zaak heeft het Uwv de ZW-uitkering van appellante per 29 januari 2023 beëindigd. De Raad volgt het standpunt van appellante niet dat zij door haar beperkingen niet in staat was om passende functies te vervullen en komt tot het oordeel dat het Uwv de ZW-uitkering terecht heeft beëindigd.

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. O.H.G. Daane Bolier, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift en een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep ingediend.

De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar een enkelvoudige kamer.

De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 5 augustus 2026. Voor appellante is mr. Daane Bolier verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. I.M. Veringmeier.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.

Appellante heeft gewerkt als medewerker schoonmaak, catering voor gemiddeld 20,63 uur per week. Op 23 december 2021 heeft appellante zich, vanuit de situatie dat zij een uitkering ontving op grond van de Werkloosheidswet, ziekgemeld met psychische en lichamelijke klachten. Het Uwv heeft appellante een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) toegekend. In het kader van een eerstejaars ZW-beoordeling heeft appellante het spreekuur bezocht van een verzekeringsarts. Deze arts heeft appellante belastbaar geacht met inachtneming van de beperkingen die zijn neergelegd in een zogenoemde Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 2 november 2022. Een arbeidsdeskundige heeft aan de hand daarvan vastgesteld dat appellante niet meer geschikt is voor haar laatste werk. De arbeidsdeskundige heeft vervolgens voor appellante geschikte functies geselecteerd. Het Uwv heeft bij besluit van 28 december 2022 de ZW-uitkering van appellante met ingang van 29 januari 2023 beëindigd, omdat zij met die functies meer dan 65% kan verdienen van het loon dat zij verdiende voordat zij ziek werd.

Bij beslissing op bezwaar van 12 juli 2023 (bestreden besluit) heeft het Uwv het hiertegen door appellante gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Hieraan liggen rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag.

Uitspraak van de rechtbank

Appellante heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en medische stukken ingediend. De rechtbank heeft aanleiding gezien om een psychiater als deskundige te benoemen en een neuropsychologisch onderzoek bij appellante te laten verrichten. Op 1 juli 2025 is door een psychiater en een (neuro)psycholoog gerapporteerd. Naar aanleiding van deze rapporten heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep op 14 juli 2025 een gewijzigde FML opgesteld, waarin verdergaande beperkingen zijn aangenomen in het persoonlijk en sociaal functioneren. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft geconcludeerd dat ook met deze verdergaande beperkingen de geselecteerde functies nog steeds passend zijn.

De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand gelaten. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat er in dit geval geen aanleiding is om af te wijken van de hoofdregel dat het oordeel van de door de rechter ingeschakelde onafhankelijk deskundige wordt gevolgd. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep op basis van de psychische klachten die door de deskundige konden worden geobjectiveerd een juiste beschrijving gegeven van de beperkingen van appellante voor het verrichten van arbeid. De rechtbank heeft hierbij in aanmerking genomen dat het de specifieke deskundigheid is van de verzekeringsarts bezwaar en beroep om op basis van medisch objectiveerbare klachten de beperkingen van de betrokkene vast te stellen. De beperkingen die appellante zelf van toepassing vindt, waarvan er overigens een aantal in de gewijzigde FML zijn opgenomen, missen een medische onderbouwing en hebben de rechtbank niet geleid tot het oordeel dat onvoldoende rekening is gehouden met de beperkingen die appellante als gevolg van haar psychische klachten heeft. Bij de beoordeling van de eerder geselecteerde functies heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep rekening gehouden met alle beperkingen die van toepassing zijn en die vermeld staan in de gewijzigde FML. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien om te twijfelen aan de geschiktheid van de voor appellante geselecteerde functies.

Het standpunt van appellante

3. Het hoger beroep van appellante is gericht tegen het in stand laten van de rechtsgevolgen van het bestreden besluit door de rechtbank. Appellante heeft in hoger beroep aangevoerd dat in de gewijzigde FML van 14 juli 2025 ten onrechte geen urenbeperking is aangenomen. Appellante heeft er in dit verband op gewezen dat in het rapport van de psychiater is geconcludeerd dat zij voldoet aan de criteria van een ernstige depressieve stoornis en PTSS. Bovendien heeft de deskundige expliciet benoemd dat appellante problemen heeft met slapen en dat zij vermoeidheidsklachten heeft. Volgens de standaard Duurbelastbaarheid in Arbeid kan sprake zijn van een stoornis in de energiehuishouding als sprake is van een verminderde mogelijkheid tot recuperatie. Dit kan aan de orde zijn bij stemmingsstoornissen en ook traumastoornissen worden hierbij benoemd. Appellante stelt dat zij altijd ‘aan’ staat in de ‘fight-or-flight modus’ waardoor zij overdag ernstig vermoeid is en haar herstellend vermogen vrijwel volledig ontbreekt. Zij wordt ’s nachts veelvuldig wakker door nare dromen/herbelevingen, waardoor er van herstellende slaap geen sprake is. Appellante heeft de Raad verzocht om een verzekeringsarts als deskundige te benoemen om de noodzaak tot het stellen van een urenbeperking te beoordelen.

Het standpunt van het Uwv

4. Het Uwv heeft, onder verwijzing naar een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 1 juni 2026, verzocht om de aangevallen uitspraak te bevestigen.

Het oordeel van de Raad

Op grond van artikel 19aa, eerste lid, van de ZW behoudt een betrokkene na 52 weken van ongeschiktheid tot werken zijn ZW-uitkering, als hij als gevolg van ziekte minder kan verdienen dan 65% van zijn laatstverdiende loon (maatmaninkomen). Dit percentage wordt berekend door het maatmaninkomen te vergelijken met het loon dat hij kan verdienen in passende functies. Bij deze beoordeling wordt zoveel mogelijk aangesloten bij de systematiek van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen. Ook deze beoordeling is gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek. Beide aspecten worden hieronder besproken.

Medische beoordeling

Net als de rechtbank ziet de Raad geen aanleiding om te oordelen dat in de FML van 14 juli 2025 onvoldoende beperkingen zijn vastgesteld. De beroepsgrond dat een urenbeperking had moeten worden aangenomen, slaagt niet. In een rapport van 20 februari 2024 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep toegelicht dat traumastoornissen inderdaad in de standaard Duurbelastbaarheid in Arbeid worden genoemd als mogelijke oorzaak van een slaap-waakstoornis waardoor er een verminderde mogelijkheid tot recuperatie is, maar dat van een noodzaak tot extra recuperatiemomenten in het geval van appellante niet is gebleken. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft er hierbij op gewezen dat in het rapport van de primaire verzekeringsarts staat dat appellante ’s nachts slecht slaapt maar dat zij overdag niet slaapt. Appellante heeft bovendien een normaal en regelmatig dag-nachtritme. Omdat een stoornis in de energiebalans altijd gepaard gaat met een toename van de noodzaak tot recuperatie kan deze bij appellante dus niet geobjectiveerd worden. In het rapport van 1 juni 2026 heeft een tweede verzekeringsarts bezwaar en beroep, naar aanleiding van de gronden die appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, nader gerapporteerd. Deze verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft toegelicht dat uit het rapport van de psychiater niet blijkt dat appellante voortdurend in ‘fight-or-flight modus’ staat, omdat daarin geen hyperalertheid wordt beschreven. Verder heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep erop gewezen dat vermoeidheid door appellante niet als klacht is genoemd en evenmin uit de heteroanamnese blijkt. Bij het psychiatrisch onderzoek is niet beschreven dat appellante vermoeid is of vermoeid oogt. De vermelding van de psychiater bij de omschrijving van de classificerende diagnostiek dat sprake is van vermoeidheid, vindt in die zin geen steun in de onderzoeksbevindingen. Naar het oordeel van de Raad legt hetgeen appellante heeft aangevoerd over de noodzaak van een urenbeperking onvoldoende gewicht in de schaal om de twijfelen aan de juistheid van de gemotiveerde conclusies van de verzekeringsartsen bezwaar en beroep over dit aspect. Het verzoek van appellante om een verzekeringsarts als deskundige te benoemen, wordt daarom afgewezen.

Arbeidskundige beoordeling

De rechtbank heeft terecht geen aanleiding gezien om te twijfelen aan de geschiktheid van de voor appellante geselecteerde functies.

Conclusie en gevolgen

Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd, voor zover aangevochten. Dit betekent dat de beëindiging van de ZW-uitkering in stand blijft.

6. Omdat het hoger beroep niet slaagt, krijgt appellante geen vergoeding voor haar proceskosten en het betaalde griffierecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door H.G. Rottier, in tegenwoordigheid van G.T. Hunsel als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 september 2026.

(getekend) H.G. Rottier

(getekend) G.T. Hunsel

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand