ECLI:NL:CRVB:2026:1219

ECLI:NL:CRVB:2026:1219

Instantie Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak 16-09-2026
Datum publicatie 18-09-2026
Zaaknummer 25/1595 WIA
Rechtsgebied Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Procedure Hoger beroep

Samenvatting

Het Uwv heeft het dagloon van de toegekende WIA-uitkering terecht vastgesteld op € 100,34. Geen toepassing van artikel 18 van het Dagloonbesluit (starters en herintreders). Geen sprake van bijzondere omstandigheden. De strikte toepassing van de dagloonregels leidt niet tot een onevenredige uitkomst.

Uitspraak

SAMENVATTING

25/1595 WIA

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 2 juli 2025, 24/4170 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 16 september 2026

Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv het dagloon van de per 23 januari 2024 toegekende WIA-uitkering terecht heeft vastgesteld op € 100,34. Appellante is van mening dat sprake is van bijzondere omstandigheden die maken dat strikte toepassing van de dagloonregels in haar geval leidt tot een onevenredige uitkomst. Het dagloon had daarom moeten worden berekend met overeenkomstige toepassing van artikel 18 van het Dagloonbesluit (starters en herintreders). De Raad volgt appellante hierin niet en komt tot het oordeel dat het Uwv het dagloon juist heeft vastgesteld.

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. A. van den Os hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 5 augustus 2026. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Van den Os. Het Uwv heeft zich niet laten vertegenwoordigen.

OVERWEGINGEN

Inleiding

Appellante heeft, naast haar HBO opleiding (Pabo), van 1 maart 2019 tot en met 31 juli 2021 gewerkt als verkoopmedewerkster bij bakkerij [naam bakkerij] v.o.f. (de bakkerij) op basis van een nul-urencontract. Na het afronden van haar studie is appellante per 1 augustus 2021 gestart als leerkracht L10 bij Onderwijsstichting [naam onderwijsstichting] (de school). Met ingang van 25 januari 2022 is appellante ziekgemeld in verband met een covid-infectie. Appellante bleef klachten houden en na enige tijd is een post-covid syndroom vastgesteld. Op 5 november 2023 heeft appellante bij het Uwv een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) aangevraagd. Bij besluit van 20 juni 2024 (primaire besluit) heeft het Uwv appellante met ingang van 23 januari 2024 een loongerelateerde WGA-uitkering toegekend. Daarbij is het WIA-maandloon vastgesteld op € 1.998,17 en het WIA-dagloon op € 91,87. Appellante heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit. Dat bezwaar was gericht tegen de hoogte van het WIA-dagloon.

Bij besluit van 18 november 2024 (bestreden besluit) heeft het Uwv dit bezwaar gegrond verklaard en het WIA-dagloon gewijzigd naar € 100,34. Daartoe heeft het Uwv overwogen dat het loon in de referteperiode niet door 261 maar door 239 dagloondagen moet worden gedeeld omdat appellante in de maand juni 2021 geen loon heeft genoten. De maand juni 2021 was dus een zogenoemde loonloze periode en de dagloondagen van die maand moesten daarom niet worden meegerekend. Het Uwv heeft verder geen mogelijkheid gezien om ten gunste van appellante van de dagloonregels af te wijken. Het Uwv heeft de kosten van bezwaar vergoed.

Uitspraak van de rechtbank

2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten.

De rechtbank heeft vooropgesteld dat tussen partijen niet in geschil is dat de arbeidsongeschiktheid van appellante, die heeft geleid tot de toekenning van een WIAuitkering, is ingetreden op 25 januari 2022 en dat daarvan uitgaande de referteperiode voor de berekening van het WIA-dagloon loopt van 1 januari 2021 tot en met 31 december 2021.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft het Uwv het WIA-dagloon in overeenstemming met de toepasselijke wettelijke bepalingen vastgesteld. Uit het dienstverband bij de bakkerij heeft appellante € 888,85 aan loon ontvangen. Uit het dienstverband bij de school heeft appellante € 14.880,36 aan loon ontvangen. In juni 2021 heeft appellante geen loon ontvangen. Deze maand is daarom buiten beschouwing gelaten bij het vaststellen van het WIA-maandloon en WIA-dagloon. Omdat appellante in juni 2021 geen loon heeft ontvangen, zijn er 239 loondagen in de referteperiode. Het dagloon wordt halfjaarlijks (per 1 januari en 1 juli) geïndexeerd. Ook heeft appellante recht op een leeftijdsverhoging. Het WIA-maandloon is daarom vastgesteld op € 2.182,40 en het WIA-dagloon op € 100,34.

Met het bestreden besluit heeft het Uwv toepassing gegeven aan artikel 16 van het Dagloonbesluit werknemersverzekeringen (Dagloonbesluit). Het Dagloonbesluit is een algemeen verbindend voorschrift. In de uitspraak van 26 maart 2024 heeft het College van Beroep voor het bedrijfsleven overwogen dat bij de rechtstreekse toetsing van een wettelijk gebonden besluit dat steunt op een algemeen verbindend voorschrift, al door de wetgever een belangenafweging is verricht. Daarom is de evenredigheid in beginsel gegeven. Dit kan enkel anders zijn als er bijzondere omstandigheden zijn die maken dat de toepassing van het voorschrift in het specifieke geval onevenredig is, maar daarbij gaat het dan alleen nog om de evenwichtigheid. De rechter beoordeelt of het besluit onevenwichtig is, waarbij de toetsing is of het in de gegeven omstandigheden voor de belanghebbende onredelijk bezwarend is.

De rechtbank heeft appellante niet gevolgd in haar standpunt dat de berekening van het Uwv onevenredig voor haar uitpakt en daarom strikte toepassing van artikel 16 van het Dagloonbesluit onevenwichtig is. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het Uwv er terecht op gewezen dat het inherent is aan de wijze van berekening van het WIA-dagloon dat periodes waarin minder loon wordt ontvangen tijdens de referteperiode een negatieve invloed hebben op de hoogte van het WIA-dagloon. De besluitgever heeft hiermee rekening gehouden en maakt geen onderscheid naar de reden waarom in een periode minder loon is ontvangen. In het geval van appellante wordt het lagere dagloon veroorzaakt door de omstandigheid dat het loon dat zij bij de bakkerij heeft ontvangen aanmerkelijk lager was dan het loon dat zij verdiende in de periode daarna. Dit is een bewust en voorzien gevolg van de systematiek van het WIA-dagloon. Het maakt geen verschil of een starter op de arbeidsmarkt in de periode voordat zij een baan ‘op haar niveau’ kreeg, tijdens haar studie een bijbaan had. Ook in dat geval wordt nog steeds recht gedaan aan het uitgangspunt dat de WIA-uitkering een afspiegeling moet zijn van het welvaartsniveau in de daaraan voorafgaande periode van een jaar. De rechtbank begrijpt dat dit voor appellante nadelig is en dat zij daardoor moeilijkheden ervaart. Dat het besluit voor haar negatieve gevolgen heeft, maakt echter nog niet dat er sprake is van een bijzondere omstandigheid waardoor het besluit onevenredig is. De inkomensval is namelijk een omstandigheid die ook voor andere uitkeringsgerechtigden geldt en daarom is het geen bijzondere omstandigheid die maakt dat voor appellante moet worden afgeweken van de algemene regels voor de berekening van de uitkering om voor haar tot een hogere uitkering te komen. De door appellante aangehaalde uitspraken zien volgens de rechtbank op bijzondere situaties die niet vergelijkbaar zijn met de situatie van appellante.

Naar het oordeel van de rechtbank leidt strikte toepassing van het Dagloonbesluit in het specifieke geval van appellante niet tot onevenredig nadelige uitkomsten. De rechtbank heeft geconcludeerd dat de uitkomst van de dagloonberekening, zoals door het Uwv is uitgevoerd, niet in strijd is met het evenredigheidsbeginsel. Dat leidt ertoe dat het Uwv appellante niet gelijk had hoeven stellen met een starter zoals bedoeld in artikel 18 van het Dagloonbesluit. Het Uwv heeft daarom terecht geen aanleiding gezien om de geldende dagloonregels buiten toepassing te laten.

Het standpunt van appellante

Appellante is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Zij heeft in hoger beroep haar standpunt gehandhaafd dat de dagloonberekening door het Uwv onevenredig nadelige gevolgen voor haar heeft en daarom strikte toepassing van artikel 16 van het Dagloonbesluit achterwege moet blijven. Appellante heeft er daarbij op gewezen dat haar minimale bijbaan bij de bakkerij, naast haar studie, voor een enorme inkomensachteruitgang zorgt nu zij volledig arbeidsongeschikt is geraakt. Hierdoor komt zij in financiële problemen, waardoor haar partner ander werk moest gaan doen. Het voelt voor appellante alsof zij wordt gestraft voor haar inzet om tijdens de coronacrisis toch les te blijven geven aan jonge kinderen die daarvan afhankelijk waren, waardoor zij uiteindelijk post-covid heeft opgelopen en volledig arbeidsongeschikt is geraakt. Volgens appellante brengt toepassing van het evenredigheidsbeginsel met zich mee dat zij gelijkgesteld moet worden met een starter als bedoeld in artikel 18 van het Dagloonbesluit en haar inkomen bij de bakkerij buiten beschouwing moet worden gelaten. Volgens appellante kan de uitkomst van de dagloonberekening door het Uwv nooit de bedoeling zijn geweest van de besluitgever.

Het standpunt van het Uwv

Het Uwv heeft de Raad verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.

Het oordeel van de Raad

4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

De wettelijke regels die voor de beoordeling van het hoger beroep belangrijk zijn, zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.

Wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd is in de kern een herhaling van wat zij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank heeft deze gronden afdoende besproken en in haar overwegingen betrokken. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank en de aan dit oordeel ten grondslag gelegde overwegingen. Naar aanleiding van wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd wordt daaraan het volgende toegevoegd.

De Raad heeft al eerder overwogen dat de referteperiode voor de vaststelling van het dagloon dwingend volgt uit artikel 13, eerste lid, van de Wet WIA en artikel 13, eerste lid, van het Dagloonbesluit. Uit deze regeling van de referteperiode volgt dat voor de vaststelling van het welvaartsniveau niet bepalend is het loon dat werd genoten op het moment van het intreden van het verzekerde risico, maar het loon dat daadwerkelijk is genoten tijdens de gehele referteperiode (historisch dagloon). Hieraan is inherent dat periodes waarin minder loon is genoten tijdens de referteperiode een negatieve invloed hebben op de hoogte van het dagloon. Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen heeft de besluitgever hiermee rekening gehouden en daarbij geen onderscheid gemaakt naar de reden waarom in een periode minder loon is ontvangen. Alleen voor starters en herintreders zoals omschreven in artikel 18 van het Dagloonbesluit wordt voor wat betreft het aantal dagloondagen een afwijkende regeling gegeven. Voor het overige wordt aangesloten bij de hoofdregel van artikel 13 van de Wet WIA en de artikelen 13 en 16 van het Dagloonbesluit.

De Raad begrijpt dat het voor appellante nadelig uitpakt dat de geringe inkomsten uit haar bijbaan bij de bakkerij worden meegenomen bij de dagloonberekening. Dat heeft immers een sterk dagloonverlagend effect waardoor zij een veel lagere uitkering ontvangt dan wanneer zij die bijbaan niet zou hebben gehad. Dat betekent echter niet dat sprake is van bijzondere omstandigheden waardoor het bestreden besluit onevenredig is. Deze uitkomst is immers inherent aan het systeem van de dagloonberekening (historisch dagloon) dat gebaseerd is op een bewuste keuze van de besluitgever. Het standpunt van appellante komt er in feite op neer dat in haar geval een veel ruimere toepassing wordt gegeven aan de startersregeling van artikel 18 van de Dagloonregels dan de besluitgever heeft beoogd. De Raad wijst in dit verband op de Nota van Toelichting bij artikel 18 van de Dagloonregels waarin de besluitgever uitdrukkelijk heeft overwogen dat degenen die in het eerste tijdvak van het refertejaar wel loon heeft genoten geen beroep kan doen op de startersregeling. Het dagloon wordt dan volgens de normale regels vastgesteld. De Raad ziet in dit geval dan ook geen aanleiding om, in afwijking van de Wet WIA en de Dagloonregels, het dagloon hoger vast te stellen.

Conclusie en gevolgen

5. Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat het Uwv het WIA-dagloon terecht heeft vastgesteld op € 100,34.

6. Omdat het hoger beroep niet slaagt, krijgt appellante geen vergoeding voor haar proceskosten en het betaalde griffierecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door T. Dompeling als voorzitter en A.I. van der Kris en J.H. Ermers als leden, in tegenwoordigheid van D. Semiz als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 september 2026.

(getekend) T. Dompeling

(getekend) D. Semiz

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels

Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA):

Artikel 13, eerste lid, van de Wet WIA:

Voor de berekening van een uitkering waarop op grond van deze wet recht bestaat, wordt als dagloon beschouwd 1/261 deel van het loon dat de werknemer verdiende in de periode van één jaar die eindigt op de laatste dag van het aangiftetijdvak voorafgaande aan het aangiftetijdvak waarin de ziekte die tot volledige en duurzame arbeidsongeschiktheid of gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid heeft geleid, is ingetreden.

Artikel 13, derde lid, van de Wet WIA:

Bij algemene maatregel van bestuur worden met betrekking tot de vaststelling van het dagloon, bedoeld in het eerste lid, en de herziening ervan nadere en zo nodig afwijkende regels gesteld.

Dagloonbesluit werknemersverzekeringen (Dagloonbesluit):

Artikel 13, eerste lid, van het Dagloonbesluit

Onder referteperiode wordt in dit hoofdstuk de periode verstaan van één jaar die eindigt op de laatste dag van het aangiftetijdvak voorafgaande aan het aangiftetijdvak waarin de arbeidsongeschiktheid is ingetreden (…)

Artikel 16, eerste lid, van het Dagloonbesluit:

Het dagloon van uitkeringen op grond van de Wet WIA (…) is de uitkomst van de volgende berekening:

((A–B) x 108/100 + C) / D

waarbij:

A staat voor het loon dat de werknemer in de referteperiode heeft genoten bij alle werkgevers;

B staat voor de bedragen aan vakantiebijslag die in de referteperiode als loon zijn uitbetaald ten laste van een opgebouwd bedrag (…);

C staat voor de in de referteperiode opgebouwde bedragen ten behoeve van vakantiebijslag (…)

D staat voor 261.

Artikel 18, eerste lid, van het Dagloonbesluit (dagloon starter en herintreder):

Het dagloon van de werknemer die vanaf de aanvang van de referteperiode tot en met de laatste dag van het eerste volledige aangiftetijdvak van dat jaar geen loon als bedoel in artikel 14 of 15 heeft genoten, wordt vastgesteld door bij de toepassing van artikel 16, eerste lid, <<261>> te vervangen door: het aantal dagloondagen vanaf en met inbegrip van de dag waarop de dienstbetrekking is aangevangen tot en met de laatste dag van de referteperiode.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand